Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.5.3
6.6.5.3 Problemen bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de Europese staats-steunregels op de verstrekking van Europese subsidies
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393699:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 17 december 2003, AB 2004, 262, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden, Gst. 2004, 120, m.nt. C.T. Dekker (Martiniplaza).
De Europese regelgeving luidde aldus dat geen Europese subsidie uit het EFRO door de lidstaten kon worden weggezet, indien niet ten minste een even zo groot bedrag door de lidstaat zelf of diens organen zou worden opgebracht.
Dit is een document waarin het communautair bestek en een operationeel programma zijn verenigd. Dit document kon in één keer door de Commissie worden goedgekeurd. In de Verordening nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds en tot intrekking van Vo. (EG) nr. 1260/1999 is het ter vereenvoudiging van de procedure enkel noodzakelijk per doelstelling om operationele programma's in te dienen (en dus niet langer per doelstelling een communautair bestek, daarvoor in de plaats wordt een nationaal strategisch referentiekader opgesteld die ziet op alle doelstellingen). De opstelling van een EPD is vanaf de progranuneringsperiode 2007-2013 dan ook niet langer mogelijk
Zie hieromtrent ook Evans 1999, p. 14-15.
Zie het onderzoek van de Rekenkamer over de uitvoering van het EU-structuurbeleid in de periode 1994-1999, p. 27.
Zie het onderzoek van de Rekenkamer over de uitvoering van het EU-structuurbeleid in de periode 1994-1999, p. 13.
ABRvS 17 december 2003, AB 2004, 262 m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden, Gst. 2004, 120, m.nt. C.T. Dekker (Martiniplaza).
Als gezegd was het in voorgaande programmaperioden voor Nederlandse bestuursorganen en de Nederlandse rechter niet altijd duidelijk of de Europese staatssteunregels überhaupt van toepassing waren op de verstrekking van Europese subsidies. Ook nu doen zich op dit punt problemen voor, zo is gebleken in hoofdstuk 5. Een Nederlandse zaak waarin de vraag naar de toepasselijkheid van de Europese staatssteunregels aan de orde komt, is de uitspraak Martiniplaza.1
Aan het begin van deze eeuw werd de Martinihal te Groningen omgevormd tot het Martiniplaza. Dit heeft geresulteerd in een nieuwe grote hal, waarin beurzen en evenementen worden georganiseerd.2 De verbouwing werd onder meer gefinancierd met een subsidie van bijna twee miljoen euro van het openbaar lichaam 'Samenwerkingsverband Noord-Nederland' (sNN), een gemeenschappelijke regeling van de Provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Deze subsidie vormde de cofinanciering3 naast een EFRO-bijdrage op grond van het Enig Programmerings Document (EPD) Groningen-Drenthe 1997-19994 dat voorzag in het verstrekken van Europese subsidies uit één van de structuurfondsen, namelijk het EFRO. In Zuidlaren, op ongeveer 18 kilometer van de Martinihal, staat nog een beurscomplex: de Prins Bernardhoeve.5 De stichting die de Prins Bernhardhoeve destijds exploiteerde en die ook de directie voert over het Frisian Expo Centre te Leeuwarden, maakte bezwaar tegen de cofinanciering door het SNN. Kern van de bezwaren van de Stichting vormde de concurrentievervalsing die de subsidie met zich zou brengen. Door de subsidie zou Martiniplaza lagere tarieven kunnen rekenen. Daarom zou de subsidie onrechtmatige staatssteun inhouden. De rechtbank deelt het oordeel van de stichting en oordeelt dat de steunmaatregel door SNN bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld. Het besluit tot subsidieverlening wordt vervolgens vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. In hoger beroep voeren SNN en B&W van de gemeente Groningen - de subsidieontvanger - aan dat de subsidie deel uitmaakt van een cofinanciering uit hoofde van het EPD voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de in Nederland onder doelstelling 2 vallende regio Groningen-Drenthe dat door de Europese Commissie is goedgekeurd. Omdat toewijzing van deze aanvraag leidt tot de verplichting dat de lidstaat het project ook deels moest financieren,6 moet volgens hen worden aangenomen dat de Europese Commissie met de cofinanciering geen problemen zou hebben.
In de zaak Martiniplaza is de vraag aan de orde in hoeverre de nationale cofinanciering bij de Europese Commissie moet worden aangemeld. SNN en B&W zijn van mening dat dit niet nodig is, nu het om cofinanciering van een Europese subsidie gaat die door de Europese Commissie is goedgekeurd. De achtergrond van dit standpunt is dat destijds een vertegenwoordiger van de Europese Commissie volwaardig deel uitmaakte van het Comité van Toezicht dat moest nagaan of bij het verstrekken van subsidies de regelgeving werd nageleefd7 en de projecten formeel goedkeurde.8 De gedachte is dat wanneer een vertegenwoordiger van de Europese Commissie betrokken is bij de goedkeuring van het project, daarmee ook is voldaan aan de Europese staats-steunregels. Volgens de ABRvS is dit echter geen argument om tot het oordeel te komen dat het subsidieverstrekkende bestuursorgaan is ontslagen van de plicht om zich er bij de Commissie afdoende van te vergewissen dat de aanmeldingsverplichting niet van toepassing is op de subsidieverlening, of dat de subsidieverlening valt onder de vrijstellingsregeling van verordening (EG) nr. 70/2001, dan wel om het voornemen tot subsidieverlening overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag (thans artikel 108, derde lid, vwEu) aan te melden. De ABRvS sluit derhalve niet uit dat een uit de structuurfondsen voortvloeiende nationale cofinanciering moet worden aangemerkt als onrechtmatige staatssteun.
In de op de uitspraak volgende annotatie van Jacobs en Den Ouden wordt de vraag opgeworpen of op de Europese subsidie zelf de staatssteunregels wellicht niet van toepassing zijn.9 Hierop wordt geen eenduidig antwoord gegeven, maar de conclusie is dat het zekerheidshalve is aan te raden ook de Europese subsidie aan te melden.
Uit hoofdstuk 5 is gebleken dat het op basis van een aantal argumenten verstandig is om aan te nemen dat de verstrekking van Europese subsidies en de daarbij behorende cofinanciering onder de Europese staatssteunregels vallen.