Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.4.1.4.2
2.4.1.4.2 (Beoogde) subject van heffing
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291333:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil (diss.), Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 70-71, G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 26, A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 35 en S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 40-41.
Dit blijkt heel duidelijk uit de toelichting op het Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 5: “De belasting over de toegevoegde waarde dient derhalve te worden afgewenteld, opdat de belasting komt te drukken op de verbruiker, zijnde de enige persoon, welke men bij deze wijze van belastingheffing beoogt te treffen.” Ook het Hof van Justitie gaat hiervan uit (zie bijv. HvJ EU 7 augustus 2018, zaak C-475/17, V-N 2018/42.25.7, r.o. 33 (Viking Motors AS e.a.).
H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil (diss.), Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 70-71 en B.G.A. Heijnen, Niet-betaling in de btw (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 46. Zie bijv. HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, r.o. 35 (Gemeente Borsele).
B.G.A. Heijnen, Niet-betaling in de btw (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 46. Anders: J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 8 en S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 40.
Zie bijv. HvJ EG 1 april 1982, zaak 89/81, BNB 1982/311 r.o. 9 (Hong Kong Trade Development Council), HvJ EG 10 juli 1985, zaak 16/84, ECLI:EU:C:1985:309, r.o. 16 (Commissie/Nederland) en HvJ EG 10 juli 1985, zaak 17/84, ECLI:EU:C:1985:310, r.o. 12 (Commissie/Ierland).
B.G.A. Heijnen, Niet-betaling in de btw (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 46.
De keuze om de btw op een indirecte wijze te heffen heeft tot gevolg dat het subject van heffing een andere is dan het beoogde subject van heffing.1 De btw wordt namelijk geheven van de belastingplichtige (het subject van heffing), maar beoogd is dat de belastingplichtige de btw afwentelt op de eindverbruiker (het beoogde subject van heffing).2 Het recht op aftrek van voorbelasting waarborgt dat er btw drukt op het eindverbruik van het goed of de dienst en dat die btw-druk evenredig is aan de prijs van het goed of de dienst. Toch kan naar mijn mening niet gezegd worden dat het ontberen van een recht op btw-aftrek eindverbruik impliceert. Uit art. 1 lid 2 Btw-richtlijn en de richtlijnhistorie volgt dat het eindverbruik plaatsvindt aan het einde van de productie- en distributieketen. Het begrip ‘eindverbruiker’ is daarom niet beperkt tot de particuliere consument, maar omvat eenieder die of voor zover hij geen belastingplichtige is.3 Verricht een belastingplichtige vrijgestelde handelingen zonder recht op aftrek dan drukt de btw weliswaar op deze belastingplichtige, maar van eindverbruik is naar mijn mening geen sprake.4 Deze vrijgestelde handelingen behoren immers tot de productie- en distributieketen.5 Bovendien voorkomt deze strikte uitleg van het begrip ‘eindverbruiker’ dat er binnen de bedrijfskolom meer dan één eindverbruiker kan zijn, hetgeen onlogisch is.6