Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.1.4
10.3.1.4 Aanbevelingen
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609032:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.W. Zwemmer, ‘De fiscale positie van de aandeelhouder’, WFR 1978, p. 1037.
R.N.G. van der Paardt, ‘Overdrachtsbelasting: de inbrengvrijstelling ingeperkt’, Vastgoedrecht 1998, nr. 6.
M.L.M. van Kempen, ‘Personenvennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid in de overdrachtsbelasting’, WFR 2007, p. 824. In dezelfde zin: A.W.G. Lamers en A.J.A. Stevens, ‘Overige aspecten van het wetsvoorstel ter vaststelling van Titel 7.13 (vennootschap) BW’, WFR 2003, p. 293, en J.J.M. Jansen en A.J.A. Stevens, ‘Invoeringswet titel 7.13 BW: eindelijk de fiscale puntjes op de fiscale “i”?’, WFR 2008, p. 429.
Op basis van het vorenstaande doe ik een aantal aanbevelingen ten aanzien van de aanmerkelijkbelangpositie als bedoeld in art. 4 lid 3 WBR. In de eerste plaats dient het huidige, ouderwetse partnerbegrip te worden aangepast aan de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid. Dit betekent dat ook belangen die worden gehouden door de partner met wie een natuurlijk persoon ongehuwd samenwoont, moeten worden meegeteld bij de beoordeling van de aanmerkelijkbelangpositie. In dit verband zou het begrip ‘verbonden persoon’ kunnen worden gehanteerd, waarvan ik de contouren in hoofdstuk 6 heb geschetst:
Er geldt een sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd.
Voor ongehuwde samenwoners geldt in dit verband een weerlegbaar vermoeden van ‘verbondenheid’. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan de belastingplichtige aantonen dat de partner niet als ‘verbonden persoon’ kan worden beschouwd, bijvoorbeeld omdat de personen niet samenwonen en voor de toepassing van een pensioenregeling niet als partner zijn aangemeld. Deze ‘verbonden, tenzij’-benadering wijkt af van de huidige opzet van art. 3.91 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001, omdat er geen limitatieve opsomming geldt van alternatieve samen-woonsituaties.
Voorts wordt een minderjarig ‘kind’ van de betrokken persoon of van zijn ‘levensgezel’ tot de kring van verbonden personen gerekend. In situaties waarin een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke transactie wordt gepleegd met een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een dergelijk familielid van zijn ‘levensgezel’, wordt deze eveneens als ‘verbonden persoon’ aangemerkt.
Indien de betrokken persoon minderjarig is, wordt ook een bloed- of aanverwant in de opgaande lijn, en diens echtgenoot, geregistreerde partner of ‘levensgezel’ als een ‘verbonden persoon’ beschouwd.
In afwijking van art. 1:3 lid 3 BW worden de duurzaam gescheiden levende echtgenoot en de ex-schoonfamilie voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet tot de kring van verbonden personen gerekend.
Een tweede aanbeveling betreft de verduidelijking van het begrip ‘belang’ in art. 4 lid 3 WBR. De antiontgaansfunctie van dit begrip rechtvaardigt dat de inhoud en reikwijdte van het begrip enigszins vaag is, maar er kunnen naar mijn mening wel enkele richtlijnen worden geschetst. In hoofdstuk 7 heb ik getracht de term ‘belang’ op basis van de hiervoor genoemde contourenschets te verduidelijken. Deze omschrijving van het ‘belang’ kan naar mijn mening ook worden gebruikt voor de toepassing van art. 4 lid 3 WBR.
Ten slotte pleit ik voor een rechtsvormneutrale behandeling van onroerendezaaklichamen voor de overdrachtsbelasting. Op basis van de huidige wetgeving ontbreekt die neutraliteit, omdat de behandeling voor de overdrachtsbelasting afhankelijk is van de vraag of een lichaam een in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Op basis van het wetsvoorstel ‘Invoering van titel 7.13 BW’ (31 065) zal de rechtsvormneutraliteit verder afnemen, omdat de gunstige regeling voor art. 4 WBR dan alleen nog zal gelden voor de verkrijging van een belang in een ‘onroerendezaakrechtspersoon’.
In hoofdstuk 7 heb ik Zwemmer’s voorstel voor een materieel-economisch onderscheid tussen transparantie en non-transparantie beschreven.1 Voor zover de winst toekomt aan een ondernemer, zou een samenwerkingsverband in zijn visie transparant moeten zijn. Voor het gedeelte van de winst dat toekomt aan beleggers zou echter non-transparantie moeten gelden. Naar mijn mening zou dit onderscheid ook kunnen gelden voor de overdrachtsbelasting. Er zou dan onderscheid worden gemaakt tussen een participant/belegger en een participant/ondernemer in een samenwerkingsverband. Ter zake van de verkrijging van een participatie door een participant/belegger zou de regeling van art. 4 WBR kunnen gelden, op grond waarvan alleen overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd indien een aanmerkelijk belang wordt verkregen. Een participant/ondernemer zou daarentegen ter zake van elke verkrijging, ongeacht de omvang van het belang, overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Een dergelijk onderscheid zou naar mijn mening ook kunnen worden toegepast op de OVR en CVR. Echter, zoals ik in hoofdstuk 7 heb opgemerkt, lijkt dit voorstel in de praktijk niet eenvoudig toepasbaar. Bij een heroverweging van het principiële onderscheid tussen fiscale transparantie en non-transparantie zou mijn voorkeur daarom omwille van de eenvoud uitgaan naar een vennootschapsbelastingplicht van alle personenvennootschappen. Een dergelijke non-transparantiegedachte zou naar mijn mening ook voor de overdrachtsbelasting kunnen gelden. Met het oog op de rechtsvormneutraliteit zou bovendien een evenwichtiger geheel ontstaan indien art. 4 WBR van toepassing zou zijn op elke verkrijging van een belang in een samenwerkingsverband dat als ‘onroerendezaaklichaam’ kwalificeert. Dat wil zeggen, dat art. 4 WBR van toepassing is op zowel aandelenvennootschappen als lichamen zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, waarbij overdrachtsbelasting alleen verschuldigd is bij verkrijging van een 331/3%-belang. In dit kader zouden bijvoorbeeld de NV, BV, OVR en CVR, maar ook de OV en CV, onder het regime van art. 4 WBR vallen. Dit is overigens reeds tien jaar geleden gesuggereerd door Van der Paardt,2 en nadien ook verdedigd door Gassler (2006) en Van Kempen.3
In paragraaf 10.2 is beschreven dat de verkrijging van participaties in een onroerendezaaklichaam naar mijn mening in evenwicht moet zijn met de inbreng van onroerende zaken in een samenwerkingsverband. Indien, zoals ik hiervoor heb voorgesteld, elke verkrijging van participaties in een personenvennootschap onder de gunstige regeling van art. 4 WBR zou vallen, past hierbij een heffing van overdrachtsbelasting ter zake van de inbreng van onroerende zaken. De vrijstellingen van art. 15 lid 1 onderdeel e en f WBR zouden dan naar mijn mening niet meer op hun plaats zijn.