Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.3.3:6.3.3.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.3.3
6.3.3.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606597:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van het begrip ‘samenwerkingsverband’ is sprake van een zeer open norm, waardoor het begrip in elk geval rechtsvormneutraal lijkt. Voor het begrip ‘verbonden personen’ in art. 3.6 lid 3 Wet IB 2001 geldt eveneens een ruime omschrijving, hoewel de gehanteerde norm minder open is. Overigens acht ik de open norm in de omschrijving van deze begrippen wel begrijpelijk op basis van de achtergrond van de regeling waarin dit begrip een rol speelt: de vereenzelvigingsfunctie en de antiontgaansfunctie komt beter tot zijn recht bij een minder scherp afgebakend begrip.
Het begrip ‘verbonden personen’ lijkt neutraal ten aanzien van de samenlevingsvorm. Essers leidt echter uit de omschrijving van art. 3.6 lid 3 onderdeel a Wet IB 2001 af dat de bloed- of aanverwanten van de ‘tot het huishouden van de belastingplichtige behorende personen’ niet als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd. Hierdoor wordt bijvoorbeeld een kind van de partner met wie de belastingplichtige ongehuwd samenwoont, dat niet tot zijn huishouden hoort, niet als een ‘verbonden persoon’ beschouwd. Indien de belastingplichtige en zijn partner zouden zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zouden zijn aangegaan, zou dit kind als ‘aanverwant’ in de zin van art. 3.6 lid 3 onderdeel b Wet IB 2001 wel tot de ‘verbonden personen’ worden gerekend. Er is dus geen sprake van volledige neutraliteit.
In dit opzicht is er ook een verschil met art. 3.91 lid 2 onderdeel b onder 6° Wet IB 2001, op basis waarvan een minderjarig kind van de partner in alle gevallen als ‘verbonden persoon’ wordt beschouwd.
Ten aanzien van de neutraliteit geldt nog het volgende. In hoofdstuk 5 is beschreven dat aanverwantschap op basis van art. 1:3 lid 3 BW niet eindigt bij beëindiging van een huwelijk. Hierdoor blijven de bloedverwanten van de echtgenoot van de belastingplichtige na een echtscheiding ook zijn aanverwanten, en daarom ook ‘verbonden personen’. Indien geregistreerde partners hun wettelijk erkende relatie verbreken, lijkt het aanverwantschap wel te eindigen. Die aanverwanten zijn dan niet langer te beschouwen als ‘verbonden personen’ in de zin van art. 3.6 lid 3 Wet IB 2001. Van een neutrale behandeling is ook in dit opzicht geen sprake.
Overigens is in art. 4.2 Wet IB 2001 bepaald dat het aanverwantschap, in afwijking van art. 1:3 lid 3 BW, voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling wel eindigt na een echtscheiding. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt echter ten aanzien van art. 3.6 Wet IB 2001.