De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/2.5:2.5 Conclusie
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/2.5
2.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS374588:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Ogem-beschikking onderscheidt de Hoge Raad met een beroep op de wetsgeschiedenis conform de conclusie van A-G Mok drie doeleinden van het enquêterecht: (i) sanering (ii) opening van zaken, en (iii) vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Dit zijn de expliciete doeleinden van het enquêterecht. Deze lijst van doeleinden is mijns inziens niet uitgebreid in recente rechtspraak. De genoemde preventieve werking is geen zelfstandig (dragend) doeleinde van het enquêterecht, maar een door de wetgever wenselijk geacht mogelijk gevolg van het enquêterecht.
Het begrip ‘de strekking van het enquêterecht’ heeft betrekking op de vraag welke belangen het enquêterecht beoogt (of beter: behoort) te beschermen. Die bescherming bestaat uit het verkrijgen van openheid van zaken, sanering van de verhoudingen en de vaststelling wie verantwoordelijk is voor het mogelijk blijkend wanbeleid (doeleinden). De strekking van het enquêterecht omschrijf ik daarom als de bescherming van de belangen van de kapitaalverschaffer en werknemer, alsmede de vennootschap zelf, tegen onbehoorlijk ondernemerschap (wanbeleid). Het enquêterecht strekt ertoe de beginselen van behoorlijk ondernemerschap te bevorderen. Dit uit zich ook in de enquêtebevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket, die een enquête kan verzoeken indien het openbaar belang dit vergt (art. 2:345 lid 2 BW).1 Waar nodig kan het enquêterecht dienen als een medicijn om misstanden in de vennootschap te corrigeren. Daarbij kan als meest ‘zware pil’ de ontbinding van de vennootschap (art. 2:356 sub f BW) worden voorgeschreven.
De doeleinden en de strekking van het enquêterecht vormen het algemene uitgangspunt bij het vervolg van dit onderzoek. In de hierna volgende hoofdstukken tracht ik met een uitgebreide bespreking van de (wets)geschiedenis van iedere enquêtegerechtigde partij de bedoeling van de wetgever te achterhalen. Die achtergrond vormt samen met de doeleinden en de strekking van het enquêterecht het kader waarbinnen ik de toegang tot het enquêterecht van een specifieke partij analyseer. Bij die analyse betrek ik steeds het belang van de vennootschap om niet bezwaard te worden met een enquêteprocedure vanwege de publicitaire gevolgen, de kosten, het tijdsbeslag en de impact op de besluitvorming en de bedrijfsvoering.