Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.6
23.6 Werkt stuiting van een deel voor het geheel?
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365300:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
NJ1997, 531. Zie over het arrest in beschrijvende zin Du Perron, Bb 1997, p. 138 en, kritisch, met name vanwege de door de Hoge Raad gehanteerde terminologie: Bruning, NbBW 1997, p. 92.
Aan die opsomming kan overigens nog worden toegevoegd HR 26 oktober 2007, NJ 2007, 578. Het Hof had daar de geoordeeld dat de oorspronkelijke vordering op een andere feitelijke grondslag berustte dan de vermeerdering van eis. De Hoge Raad vond dat oordeel voldoende gemotiveerd. Doordat sprake was van een andere feitelijke grondslag, manifesteerde zich het in de hoofdtekst bedoelde gebrek van de Hoge Raad-formule zich niet.
De vraag kan zich voordoen of stuiting van wat men heel ruw "een onderdeel van de vordering" zou kunnen noemen, stuitende werking heeft voor de gehele vordering. Ten eerste is te denken aan de situatie waarin de debiteur aansprakelijkheid heeft erkend, maar niet de hoogte van de schade. Beslist is dat die erkenning stuitende werking heeft, ook als achteraf over de hoogte van de schade geen overeenstemming wordt bereikt.
Zo volgt uit HR 13 december 2002:1 "In de vaststelling van het Hof ligt besloten dat de erkenning mede inhield dat B. gehouden was tot schadevergoeding, zij het dat partijen het nog niet eens waren over de omvang daarvan. Een dergelijke erkenning stuit ingevolge het hier toepasselijke artikel 2019 (oud) BW de verjaring van de betreffende rechtsvordering, ook voor het geval ter zake van de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding uiteindelijk geen overeenstemming wordt bereikt (vgl. HR 10 april 1998, nr. 8953, R97/018, NJ 1998, 639)."
De juistheid van dit oordeel is eenvoudig te adstrueren met verwijzing naar de ratio van stuiting: de benadeelde zal redelijkerwijze na erkenning van aansprakelijkheid niet hebben gedacht dat daarmee de kous wel af zou zijn. Hij moet zich, integendeel, hebben gerealiseerd dat die erkenning de opmaat vormde voor een discussie over de hoogte van de schade, en dat het dus noodzakelijk was zijn bewijs- en vermogenspositie te verzekeren. In dit verband is nog op te merken dat in de schaderegelingspraktijk vaak aansprakelijkheid wordt erkend zonder dat partijen het al eens zijn over de omvang van de schadevergoeding.
Ten tweede kan men zich afvragen of dagvaarding (die krachtens art. 3:316 BW een stuiting constitueert) voor een deel van de schade ook stuitende werking heeft ten aanzien van het resterende deel van de schade. De Hoge Raad heeft beslist dat zolang de resterende schade wordt gevorderd op basis van dezelfde feitelijke en juridische grondslag als het bij dagvaarding gevorderde deel van de schade, de dagvaarding ook ten aanzien van de resterende schade stuitende werking heeft. Over de juistheid van dat oordeel kan men twijfelen.
De bedoelde beslissing werd genomen in HR 23 mei 1997 2In die zaak vordert de eiser vergoeding van bepaalde schade als gevolg van een mislukte transactie. Bij inleidende dagvaarding van 13 januari 1983 vordert zij aan aantal posten, waaronder opslagkosten, renteverlies, koersverlies en winst die zij had gederfd doordat zij gedurende enige tijd in de onmogelijkheid heeft verkeerd haar werkkapitaal op andere wijze aan te wenden. Zij vermeerdert haar eis tot vergoeding van "gederfde winst als gevolg van verkoop tegen lagere prijzen", bij memorie van grieven van 23 februari 1995. De aangesproken partij betoogt dat die laatste vordering verjaard is. Het hof vond dat ook, maar de Hoge Raad oordeelde anders: "Het middel strekt onder meer ten betoge dat het Hof, aldus oordelende, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat de verjaring door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding is gestuit. Door het vermeerderen van haar eis heeft BWW, aldus het middel, niet een nieuwe rechtsvordering ingesteld, die voor de beantwoording van de verjaringsvraag opnieuw aan de desbetreffende wettelijke bepalingen moest worden getoetst. Dat betoog is juist. In geval een eiser in de loop van het geding zijn eis vermeerdert en de verweerder zich tegen de aldus bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering beroept op verjaring, hangt het tijdstip waarnaar moet worden beoordeeld of dit verweer doel treft, daarvan af of de aldus ingestelde vordering al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe rechtsvordering; in het eerste geval is voor de vraag of zij tijdig is ingesteld, het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend, in het tweede geval dat van de rechtsingang. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid (vgl. HR 12 november 1965, NJ 1966, 58, HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495)."
Deze uitspraak lijkt mij niet juist. Bij de stuiting gaat het erom dat de schuldenaar ervan bewust raakt dat hij zijn bewijspositie moet bewaren en zijn vermogenspositie onverkort op de nakoming moet inrichten. Het procesrechtelijke onderscheid tussen een nieuwe of een niet nieuwe rechtsvordering sluit niet bij dat doel aan. Bepaald niet gezegd is immers dat van de inleidende dagvaarding het signaal uitgaat dat de debiteur tevens onverkort met betaling van het later bij vermeerdering van eis alsnog gevorderde restant rekening moet houden. Integendeel, als op een bepaalde juridische en feitelijke grondslag een vordering wordt ingesteld, zal de debiteur geneigd zijn te veronderstellen dat het verder wel bij die vordering zal blijven en zal hij dus zijn bewijs- en vermogenspositie ten aanzien van het meerdere niet verzekeren.
Zo zal in de onderhavige zaak de aangesprokene met de ruim 12 jaar na de inleidende dagvaarding te berde gebrachte schadepost geen rekening meer hebben gehouden. Dat is uit oogpunt van zijn bewijspositie bezwarend, omdat met het enkele feit dat de vordering dezelfde feitelijke grondslag berust, niet gezegd is dat hij ten aanzien van de nieuw gevorderde post geen apart feitelijk verweer zou hoeven voeren. Het zal erom gaan of de nieuw gevorderde schadepost bestaat — moest de eiser zijn producten tegen een lagere prijs verkopen of niet? — en dat is een debat met geheel eigen bewijsmiddelen. Ook uit oogpunt van de planning van zijn vermogenspositie is de eisvermeerdering bezwarend, omdat hij die niet meer op nakoming van de extra gevorderde schade heeft ingericht.
Helaas, ben ik dus geneigd te zeggen, is echter inmiddels HR 23 mei 1997 vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld HR 19 februari 1999,3 waar een variant van het probleem aan de orde is. Het meerdere wordt daar niet gevorderd bij vermeerdering van eis, maar bij een tweede dagvaarding: V. heeft van H. f 175 000 te vorderen. In de veronderstelling dat H. slechts voor f 95 000 verhaal biedt, vordert V. bij dagvaarding van 27 juli 1990 f 95 000 schadevergoeding. Onder andere staat in de dagvaarding: "De door eiser geleden schade is groter dan f 95 000, doch eiser beperkt zijn vordering thans tot dat bedrag onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere". Later blijkt dat H. ook voor het meerdere verhaal biedt, zodat V. H. bij exploit van 17 mei 1994 opnieuw dagvaardt, nu tot betaling van het restant van de vordering. Uitgangspunt is dat de verjaring begin 1987 een aanvang heeft genomen. Als de eerste dagvaarding (die van 27 juli 1990) stuitende werking heeft ten aanzien van het resterende deel, dan zou de vordering betreffende dat resterende deel ten tijde van de tweede dagvaarding (die van 17 mei 1994) nog niet zijn verjaard. Zou de eerste dagvaarding die stuitende werking niet hebben, dan is het resterende deel ten tijde van de tweede dagvaarding wel verjaard. De Hoge Raad overweegt: "Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, geldt de eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde (vgl. HR 23 mei 1997, nr. 16266, NJ 1997, 531)."
Aldus luidt de conclusie dat de eerste dagvaarding stuitende werking heeft gehad. Opnieuw mijn bedenking: bij de stuiting gaat het erom dat de schuldenaar ervan bewust raakt dat hij zijn bewijspositie moet bewaren en zijn vermogenspositie onverkort op de nakoming moet inrichten. Bepaald niet gezegd is dat van de eerste dagvaarding het signaal uitgaat dat de debiteur tevens onverkort met betaling van het bij de tweede dagvaarding gevorderde restant rekening moet houden. Integendeel, als op een bepaalde juridische en feitelijke grondslag een vordering wordt ingesteld, zal de debiteur geneigd zijn te veronderstellen dat het verder wel bij die vordering zal blijven en zal hij dus zijn bewijs- en vermogenspositie ten aanzien van het meerdere niet verzekeren.
Het voorgaande geldt uiteraard niet als de eiser bij zijn eerste rechtsvordering duidelijk maakt onverkort aanspraak te maken op het meerdere. Precies dat is wat de eiser in zijn dagvaarding bij HR 19 februari 1999 doet; zie de hiervoor geciteerde passage. Dat voorbehoud doet de gedaagde weten dat hij zijn positie moet verzekeren ten aanzien van het meerdere, veel meer dan de eerste dagvaarding sec (wij zien ook dat de rechtbank en het hof hun beslissing baseren op de al dan niet stuitende werking van het voorbehoud van recht en niet op de eerste dagvaarding als zodanig). De uitkomst van het arrest bevredigt daardoor wel.
Ook meer recentelijk heeft de Hoge Raad zijn arrest van HR 23 mei 1997 nog bevestigd, te weten in HR 8 oktober 2004.4 Een afnemer vordert schadevergoeding van zijn leverancier wegens ondeugdelijkheid van het geleverde materiaal. In hoger beroep wijzigt de afnemer de grondslag van zijn vordering in die zin dat hij haar niet langer op de ondeugdelijkheid van het materiaal baseert, maar op de onjuistheid van het aan hem door de leverancier verstrekte verwerkingsvoorschrift ten aanzien van het materiaal. De leverancier verweert zich daartegen met een beroep op verjaring, stellende, onder verwijzing naar HR 23 mei 1997, dat sprake is van een nieuwe rechtsvordering. De Hoge Raad geeft goedkeuring aan het hofoordeel dat die stelling onjuist is, omdat slechts sprake is van een geringe wijziging van de feitelijke grondslag. De Hoge Raad begint zijn instemmende overwegingen met herhaling van en verwijzing naar zijn arrest van 23 mei 1997.
Het is goed te begrijpen dat de Hoge Raad de zaak zo afdoet. Het hof had de zaak aan HR 23 mei 1997 getoetst, en geoordeeld dat niet aan de voorwaarde van dat arrest voldaan was. Dat Hoge Raad keurt dat oordeel goed en terecht: er is geen nieuwe rechtsvordering. Maar het hof neemt wat mij betreft wel een beetje een omweg. Het beroep op HR 23 mei 1997 namelijk, doet erg geforceerd aan omdat dat arrest op een geheel andere situatie ziet. HR 23 mei 1997 gaat over het geval waarin de eiser zijn oorspronkelijke vordering vermeerdert. De vraag is dan of dat "meerdere" verjaard is. Maar hier wordt de eis niet vermeerderd. De vraag naar de verjaring van "het meerdere" doet zich dus helemaal niet voor. Wat er gebeurt, is dat gedurende de procedure een verschuiving in de feitelijke grondslag van de vordering plaatsvindt. Of dat is toegestaan, lijkt mij veeleer een probleem van de goede procesorde dan van verjaring. Misschien was het dus scherper geweest als het hof, in plaats van te toetsen aan HR 23 mei 1997, had geoordeeld dat HR 23 mei 1997 hier gewoon niet aan de orde is.
Wat daarvan ook zij, het ging mij er met de verwijzing naar HR 8 oktober 2004, en naar HR 19 februari 1999, met name om te laten zien dat HR 23 mei 1997 vaste voet aan de grond heeft gekregen.5 Om de redenen die ik in deze paragraaf heb uiteengezet, wordt daarmee de praktijk geconfronteerd met een regel waarvan de inhoudelijke rechtvaardiging niet goed valt te zien.
Volgens art. 3:319 lid 1 BW is het gevolg van stuitingshandelingen als bedoeld in de art. 3:316, 3:317 en 3:318 BW dat een nieuwe termijn begint te lopen. De nieuwe termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar (art. 3:319 lid 2 BW)
De nieuwe termijn gaat dus lopen op het moment van de stuitingshandeling en niet op het moment waarop de oude termijn afloopt. Als de oude termijn afloopt op 15 maart en stuiting plaatsvindt op 15 februari van datzelfde jaar, vangt dus 15 februari de nieuwe termijn aan. Dit wordt in de praktijk soms onvoldoende beseft, met alle fatale gevolgen van dien.