NJB 2023/1409:Termijn bij betekening van de oproeping voor de terechtzitting door het versturen per gewone post van (een vertaling van) die oproeping naar het adres van de verdachte in een andere EU-lidstaat, art. 36e lid 3 Sv: onjuist is de opvatting dat bij deze betekening de termijn in acht had moeten worden genomen die is voorgeschreven in de door de buitenlandse autoriteiten op grond van art. 7 lid 3 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (EVR) afgelegde verklaring. Zodanige verklaring heeft immers geen betrekking op rechtstreekse verzending per post naar het adres in het buitenland conform art. 36e lid 3 Sv en art. 5 lid 1 EU-Rechtshulpovereenkomst. Aanwezigheidsrecht en verstekverlening: in casu kon het hof zonder schending van dit recht verstek verlenen, mede erop gelet dat van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep of een oproeping voor een nadere terechtzitting hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding en oproeping ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.