Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1539.
HR, 23-05-2023, nr. 21/04981
ECLI:NL:HR:2023:742
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-05-2023
- Zaaknummer
21/04981
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:742, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:302
ECLI:NL:PHR:2023:302, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:742
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑03‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0103
NJ 2023/265 met annotatie van J.W. Ouwerkerk
Uitspraak 23‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal, art. 310 Sr. Betekening oproeping verdachte in hoger beroep aan adres in Polen en verstekverlening, art. 36e.3, 265.1 en 413.1 Sv, art. 7.3 EVR en art. 5 EU-rechtshulpovereenkomst. 1. Betekening oproeping nadere tz. in h.b. Moet bij betekening van oproeping rechtstreeks over de post de termijn in acht worden genomen die Polen heeft gesteld in de o.g.v. art. 7.3 EVR afgelegde verklaring? 2. Aanwezigheidsrecht. Heeft hof zonder schending van aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen? Ad 1. Oproeping voor tz. in h.b. van 26-11-2021 is op 15-11-2021 betekend door deze rechtstreeks over de post te verzenden aan adres in Polen dat als BRP-adres was geregistreerd (vgl. HR:2002:AD5163). Een verklaring a.b.i. art. 7.3 EVR heeft betrekking op het geval waarin dagvaarding (waaronder ook kan worden begrepen oproeping voor nadere tz.) naar de autoriteiten van Polen als aangezochte staat wordt gestuurd met als doel dat die autoriteiten de dagvaarding aan verdachte die zich in Polen bevindt, doen toekomen. Verklaring a.b.i. art. 7.3 EVR heeft geen betrekking op rechtstreekse verzending per post (vgl. HR:1990:AD1172). Ad 2. P-v van tz. in h.b. van 26-11-2021 houdt niet in dat raadsman een verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door verdachte of het verkrijgen van machtiging a.b.i. art. 279.1 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. aanwezigheidsrecht van verdachte in h.b. Hof heeft zonder schending van aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen, waarbij HR in aanmerking neemt dat hof ttz. van 29-10-2021 in het bijzijn van raadsman heeft bepaald dat volgende zitting op 26-11-2021 plaatsvindt, dat verdachte en zijn raadsman overeenkomstig wettelijke voorschriften voor die tz. zijn opgeroepen en dat verdachte zich kennelijk (hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht) niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman om (ook) langs die weg van datum en tijdstip van behandeling van het namens hem ingestelde h.b. op de hoogte te komen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04981
Datum 23 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2021, nummer 23-001024-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep voor de zitting van 26 november 2021 geldig is betekend en tegen de beslissing om verstek te verlenen tegen de niet-verschenen verdachte.
Procesverloop
2.2.1
Uit de aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) blijkt dat de politierechter de zaak op tegenspraak heeft behandeld. De politierechter heeft de verdachte wegens diefstal op 14 april 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, en de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van negentien dagen.
2.2.2
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De akte instellen hoger beroep van 19 april 2021 vermeldt als adres van de verdachte: “ [b-straat 1] , [postcode] , [land] ” (de Hoge Raad begrijpt: [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ), en houdt verder in dat de verdachte is gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol. De aan de akte gehechte bijzondere volmacht van de raadsman van de verdachte van 19 april 2021 houdt onder meer in:
“In bovengenoemde zaak verklaar ik, mr. A.M.V. Bandhoe (advocaat), bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn om namens [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970, thans zonder vaste woon- en verblijfplaats hier te lande, hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter gewezen op 14 april 2021 met de parketnummers 15/099203/21 en 10/168307/20 (tul) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.
Hierbij verklaar ik, mr. A.M.V. Bandhoe (advocaat), dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 ermee instemt dat een griffiemedewerker aanstonds de oproeping van de terechtzitting in ontvangst neemt.
Hierbij verklaar ik, mr. A.M.V. Bandhoe (advocaat), dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 (een afschrift van) de (appel)dagvaarding van de zitting wenst te ontvangen op het adres:
Stephensonstraat 45
2723 RM Zoetermeer.”
Het adres Stephensonstraat 45 te Zoetermeer betreft blijkens deze volmacht het kantooradres van de raadsman.
2.2.3
Bij de stukken bevinden zich onder meer:
- een Informatiestaat SKDB-persoon van 9 september 2021, die onder meer inhoudt dat de verdachte niet-ingezetene is, dat hij met ingang van 5 juli 2019 als BRP-adres heeft [a-straat 1] , [plaats] , [land] , dat als zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 26 juli 2021) is vermeld “ZVWOVHTL” (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande) en dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een dagvaarding van de verdachte met parketnummer 23-001024-21 om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2021 ter zake van het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding betekend onder parketnummer 15-099203-21;
- een akte van uitreiking die inhoudt dat de genoemde dagvaarding, met de vertaling daarvan, op 15 september 2021 is verzonden naar het adres [a-straat 1] , [plaats] , [land] ;
- een aan de raadsman van de verdachte geadresseerd stuk met het opschrift “Dagvaarding van verdachte in hoger beroep” van 7 september 2021, dat met vermelding van parketnummer 23-001024-21 inhoudt dat op 29 oktober 2021 de rolzitting bij het gerechtshof Amsterdam zal plaatsvinden tegen de verdachte en dat hij in hoger beroep terecht moet staan vanwege het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding betekend onder parketnummer 15/099203-21.
2.2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2021 houdt in dat de verdachte niet is verschenen. Dit proces-verbaal houdt verder onder meer in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt dat hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen.
De raadsman deelt mede dat in de akte instellen hoger beroep wel een Nederlands adres vermeld stond, namelijk de [b-straat 1] in [plaats] . Op dat adres is hij niet opgeroepen.
De raadsheer deelt mede dat de verdachte inderdaad ook op dat adres opgeroepen had moeten worden en dat de zaak derhalve zal worden aangehouden. Voor de volgende zitting dient de verdachte opnieuw te worden opgeroepen waaronder ook op het adres [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] .
Gehoord de advocaat-generaal deelt de raadsheer vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 26 november 2021 te 12.00 uur (99e kamer), met bevel tot oproeping van de verdachte en diens raadsman tegen die dag en dat tijdstip.”
2.2.5
Bij de stukken bevinden zich verder onder meer:
- een Informatiestaat SKDB-persoon van 5 november 2021, die onder meer inhoudt dat de verdachte niet-ingezetene is, dat hij met ingang van 5 juli 2019 als BRP-adres heeft [a-straat 1] , [plaats] , [land] , dat als zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 26 juli 2021) is vermeld “ZVWOVHTL” en dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een oproeping van de verdachte met parketnummer 23-001024-21 om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021;
- een akte van uitreiking die inhoudt dat de genoemde oproeping, met de vertaling daarvan, op 15 november 2021 is verzonden naar het adres [a-straat 1] , [plaats] , [land] ;
- een akte van uitreiking die inhoudt dat genoemde oproeping op 15 november 2021 is verzonden aan het adres [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ;
- een aan de raadsman van de verdachte geadresseerd stuk met het opschrift “Oproeping van verdachte in hoger beroep” van 5 november 2021, dat onder meer onder vermelding van parketnummer 23-001024-21 inhoudt dat op 26 november 2021 op de rolzitting bij het gerechtshof Amsterdam de strafzaak wordt behandeld tegen de verdachte die in hoger beroep terecht moet staan bij de nadere behandeling van de tegen hem aanhangige strafzaak waarin het onderzoek voor (on)bepaalde tijd werd geschorst ter terechtzitting van 29 oktober 2021.
2.2.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 houdt in dat de verdachte niet is verschenen. Dit proces-verbaal houdt verder onder meer in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt dat hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen.
(...)
De raadsheer stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden.
De raadsman vraagt:
Staat hij in [land] ingeschreven?
De raadsheer geeft aan:
Er is een adres in [land] bekend. Daar is een oproeping en vertaling naar toe gestuurd.
De raadsman verklaart:
Ik constateer op de SKDB van 29 oktober dat de verdachte een BRP in [land] heeft. Als ik ga tellen met de dagen en met de betekeningstermijn, dan kom ik uit op 30 dagen. Ik ga er vanuit dat hij op 29 oktober is betekend. Dan is er niet correct betekend.
De raadsheer geeft aan:
Op 15 november 2021 is een afschrift naar [land] gegaan. Uw standpunt is dat dit te laat is?
De raadsman verklaart:
Een dagvaarding naar [land] heeft een dagvaardingstermijn van 30 dagen.
De raadsheer merkt op:
U weet dat dit geen wettelijke termijn is?
De raadsman antwoordt:
Dit komt voort uit het rechtshulpverdrag.
De advocaat-generaal voert aan:
Daar moet geen andere conclusie aan worden verbonden.
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.2.7
Bij het bij verstek gewezen arrest van 26 november 2021 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv.
Juridisch kader
2.3.1
Artikel 7 leden 1 en 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: EVR) luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. De aangezochte Partij doet de processtukken en rechterlijke beslissingen die haar met dat doel door de verzoekende Partij worden toegezonden, aan de betrokkenen toekomen.
Dit kan geschieden door toezending van het processtuk of van de beslissing aan de geadresseerde. Indien de verzoekende Partij hierom uitdrukkelijk vraagt, worden de stukken door de aangezochte Partij medegedeeld volgens een van de procedures waarin haar wetgeving voor dergelijke betekeningen voorziet of volgens een bijzondere procedure die met haar wetgeving verenigbaar is.
3. Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verzoeken dat een dagvaarding bestemd voor een verdachte die zich op haar grondgebied bevindt, een bepaalde tijd vóór de datum welke voor de verschijning is vastgesteld, aan haar autoriteiten wordt toegezonden. Deze termijn wordt in de bedoelde verklaring aangegeven en mag de 50 dagen niet overschrijden.
Bij het vaststellen van de datum van verschijning en bij de toezending van de dagvaarding dient met deze termijn rekening te worden gehouden.”
2.3.2
De door [land] op grond van artikel 7 lid 3 EVR afgelegde verklaring luidt:
“The transmission of the summons can be refused if less than 30 days remain before the date of appearance.”
2.3.3
Artikel 5 leden 1 en 2 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG 2000, C 197/3; hierna: EU-Rechtshulpovereenkomst), luidt:
“Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken
1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
2. Toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:
a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,
b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,
c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.”
2.3.4
De volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering zijn van belang.
“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:
a. betekening;
b. toezending;
c. mondelinge mededeling.
2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. (...)
3. Toezending geschiedt door aflevering van een gewone of aangetekende brief door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer, dan wel door elektronische overdracht, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.”
- Artikel 36e lid 3 Sv:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
- Artikel 48, tweede volzin, Sv:
“Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht, ontvangt de raadsman (...) onverwijld afschrift.”
“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. (...)
3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.”
- Artikel 413 lid 1 Sv:
“Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.”
2.3.5
Met het toezenden van de dagvaarding of de oproeping overeenkomstig artikel 36e lid 3 Sv is die dagvaarding of oproeping rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de verzending van de dagvaarding of de oproeping. Deze datum moet worden aangetekend in de akte van uitreiking. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.19.)
Het oordeel van de Hoge Raad
2.4.1
In deze zaak heeft de betekening van de oproeping voor de terechtzitting van 26 november 2021 plaatsgevonden door het versturen per gewone post van (een vertaling van) die oproeping naar het adres van de verdachte in [land] .
2.4.2
Het cassatiemiddel berust allereerst op de opvatting dat bij deze betekening de termijn van 30 dagen in acht had moeten worden genomen die is voorgeschreven in de onder 2.3.2 weergegeven door [land] afgelegde verklaring. Deze opvatting is onjuist. De door [land] op grond van artikel 7 lid 3 EVR afgelegde verklaring heeft immers betrekking op het geval waarin een dagvaarding – waaronder ook kan worden begrepen: een oproeping voor een nadere terechtzitting – naar de autoriteiten van [land] als aangezochte staat wordt gestuurd, met als doel dat die autoriteiten de dagvaarding aan een verdachte die zich in [land] bevindt, doen toekomen. In deze zaak heeft echter het Nederlandse openbaar ministerie – overeenkomstig artikel 36e lid 3 Sv en artikel 5 lid 1 EU-Rechtshulpovereenkomst – de oproeping rechtstreeks over de post verzonden naar het adres in [land] dat als het woonadres van de verdachte is opgenomen in de basisregistratie personen. Een verklaring als bedoeld in artikel 7 lid 3 EVR heeft geen betrekking op deze rechtstreekse verzending per post. (Vgl. HR 26 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1172, rechtsoverweging 5.3, met betrekking tot de verzending rechtstreeks over de post van een afschrift van een dagvaarding naar het adres van een verdachte die in Frankrijk woont.)
2.5.1
Ook voor zover het cassatiemiddel zich keert tegen de beslissing van het hof om verstek te verlenen, kan het om de navolgende redenen niet tot cassatie leiden.
2.5.2
Uit het onder 2.2 weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte in eerste aanleg op tegenspraak is veroordeeld. De verdachte heeft zijn raadsman gemachtigd om tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van hoger beroep heeft de raadsman medegedeeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep en het versturen van een afschrift daarvan naar het kantooradres van de raadsman. Op 15 september 2021 is de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2021 samen met een vertaling daarvan in de [taal] rechtstreeks over de post verzonden naar het adres van de verdachte in [land] waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven. De raadsman is op de hoogte gesteld van die terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2021.Op de terechtzitting van 29 oktober 2021 heeft het hof geconstateerd dat niet ook een afschrift van de dagvaarding was gezonden naar het Nederlandse adres dat is vermeld in de akte instellen hoger beroep. Het hof heeft daarop bepaald dat de volgende zitting op 26 november 2021 plaatsvindt en bevolen dat de verdachte opnieuw wordt opgeroepen, waaronder ook op het in de akte instellen hoger beroep vermelde adres.Vervolgens is de verdachte opnieuw opgeroepen op het laatstgenoemde adres, terwijl tevens de oproeping om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 samen met een vertaling daarvan in de [taal] op 15 november 2021 rechtstreeks over de post is verzonden naar het adres van de verdachte in [land] waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven. Ook is aan de raadsman een afschrift gezonden van de oproepingen van de verdachte om te verschijnen op die nadere terechtzitting. Op de terechtzitting van 26 november 2021 is de verdachte niet verschenen; zijn raadsman is wel verschenen maar hij gaf aan niet te zijn gemachtigd om namens de verdachte de verdediging te voeren. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt niet in dat de raadsman een verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv.
2.5.3
Van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep – waaronder ook kan worden begrepen: een oproeping voor een nadere terechtzitting – hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding en oproeping ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.37.)
2.5.4
Het hof heeft, gelet op het vorenstaande, zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat het hof op de zitting van 29 oktober 2021 in het bijzijn van de raadsman heeft bepaald dat de volgende zitting op 26 november 2021 plaatsvindt, dat de verdachte en zijn raadsman in overeenstemming met de daartoe strekkende wettelijke voorschriften zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 26 november 2021 en dat de verdachte zich kennelijk – hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd – niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman om (ook) langs die weg van de datum en het tijdstip van de behandeling van het namens hem ingestelde hoger beroep op de hoogte te komen.
2.5.5
Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2023.
Conclusie 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Dagvaardingsperikelen. Geldt op grond van art. 7 lid 3 ERV voor de dagvaarding c.q. oproeping van een verdachte in Polen een dagvaardings-/oproepingstermijn van 30 dagen? De AG meent van niet en adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04981
Zitting 28 maart 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij (verstek)arrest van 26 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam op grond van art. 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 april 2021. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd verstek heeft verleend.
3.2
De toelichting op het middel houdt in de kern in dat het hof ten onrechte niet heeft aangenomen dat op de voet van artikel 7 lid 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken de oproeping voor de terechtzitting van 26 november 2021 met inachtneming van een termijn van tenminste 30 dagen aan het [plaats] adres van de verdachte had moeten worden verzonden. De zitting van 26 november 2021 had moeten worden geschorst teneinde de verdachte in staat te stellen alsnog gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht.
3.3
De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
( i) een informatiestaat SKDB-persoon van 5 november 2021, waarin is opgenomen dat de verdachte niet-ingezetene is en met ingang van 5 juli 2019 als BRP-adres heeft [a-straat 1] , [plaats] . In deze informatiestaat is verder vermeld dat de verdachte op 5 november 2021 niet gedetineerd was in Nederland en dat op 26 juli 2021 is geregistreerd dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats is Breda, Nederland, terwijl daarbij als adres is ingevuld: ZVWOVHTL (zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande).
( ii) een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021, met een vertaling naar het […] , gedateerd 5 november 2021. Als adres van de verdachte staat vermeld: [a-straat 1] , [plaats] .
( iii) een afschrift van deze oproeping geadresseerd aan de raadsman van de verdachte, gedateerd 5 november 2021.
( iv) een akte van uitreiking van een oproeping in hoger beroep. De akte houdt in dat de oproeping om op 26 november 2021 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 15 november 2021 is verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland, te weten: [a-straat 1] , [plaats] .
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1970,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt dat de hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen.
(…)
De raadsheer stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft
plaatsgevonden.
De raadsman vraagt:
Staat hij in [plaats] ingeschreven?
De raadsheer geeft aan:
Er is een adres in [plaats] bekend. Daar is een oproeping en vertaling naar toe gestuurd.
De raadsman verklaart:
Ik constateer op de SKDB van 29 oktober dat de verdachte een BRP in [plaats] heeft. Als ik ga tellen met de dagen en met de betekeningstermijn, dan kom ik uit op 30 dagen. Ik er vanuit dat hij op 29 oktober is betekend. Dan is er niet correct betekend.
De raadsheer geeft aan:
Op 15 november 2021 is een afschrift naar [plaats] gegaan. Uw standpunt is dat dit te laat is?
De raadsman verklaart:
Een dagvaarding naar [plaats] heeft een dagvaardingstermijn van 30 dagen.
De raadsheer merkt op:
Uw weet dat dit geen wettelijke termijn is?
De raadsman antwoordt:
Dit komt voort uit het rechtshulpverdrag.
De advocaat-generaal voert aan:
Daar moet geen andere conclusie aan worden verbonden.
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
3.5
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 36e lid 3, eerste volzin, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.”
- artikel 413 lid 1 Sv:
“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.”
- artikel 265 lid 3 Sv:
“3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.”
3.6
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. In de eerste deelklacht wordt – onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 8 september 20101.– geklaagd dat de oproeping voor de terechtzitting van 26 november 2021 op 15 november 2021 naar het [plaats] adres van de verdachte is verzonden en daarmee de termijn van 30 dagen voor de verzending als bedoeld in artikel 7 lid 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken niet is nageleefd. De tweede deelklacht houdt in dat het aanwezigheidsrecht is geschonden doordat het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte.
3.7
De volgende verdragsbepalingen zijn van belang:
- artikel 7 lid 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Straatsburg op 20 april 1959 (Trb. 1965, 10) (hierna: ERV), luidende:
“3. Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verzoeken dat een dagvaarding bestemd voor een verdachte die zich op haar grondgebied bevindt, een bepaalde tijd vóór de datum welke voor de verschijning is vastgesteld, aan haar autoriteiten wordt toegezonden. Deze termijn wordt in de bedoelde verklaring aangegeven en mag de 50 dagen niet overschrijden.
Bij het vaststellen van de datum van verschijning en bij de toezending van de dagvaarding dient met deze termijn rekening te worden gehouden.”
- de door [plaats] bij de bekrachtiging van het ERV op 19 maart 1996 afgelegde verklaring als bedoeld in artikel 7 lid 3 ERV, luidende:“The transmission of the summons can be refused if less than 30 days remain before the date of appearance.”
- artikel 5 leden 1 en 2 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG 2000, C 197/3), (hierna: EU-Rechtshulpovereenkomst), luidende:
"Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
2. Toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:
a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,
b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.”
3.8
In het Toelichtend Rapport bij de EU-Rechtshulpovereenkomst (PbEG 2000, C 379/7) staat het volgende vermeld:
“Artikel 5Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken(…)De regel is voortaan de toezending over de post. Uitzonderingen op deze regel staan in lid 2 en, indien toepasselijk, kunnen de documenten door bemiddeling van de autoriteiten van een andere lidstaat met het oog op uitreiking aan de geadresseerde worden toegezonden. Deze uitzonderingen betreffen gevallen waarin de toezending over de post onmogelijk of niet toereikend is. Het is essentieel dat de lidstaat die de documenten toezendt, zich redelijke inspanningen getroost om het adres van de betrokken persoon te achterhalen alvorens een verzoek tot een andere lidstaat te richten. Voorts moet het verzoek vergezeld gaan van zoveel mogelijk nuttige informatie die de aangezochte lidstaat kan helpen om de persoon te vinden.”
3.9
De parlementaire behandeling van de goedkeuringswet van de EURechtshulpovereenkomst vermeldt in de Memorie van Toelichting de volgende passage:2.
“Artikel 5 Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken
Het bepaalde in dit artikel is grotendeels overgenomen van artikel 52 van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen. Die Schengenbepaling wordt, zo blijkt uit het tweede lid van artikel 2 van het verdrag, ingetrokken.
De Schengenregeling voorziet in de mogelijkheid van toezending over de post. In de praktijk wordt daarvan door sommige lidstaten aanzienlijk minder gebruik gemaakt dan was beoogd. Ook buiten de in het tweede lid bedoelde gevallen wordt om formele uitreiking van gerechtelijke stukken verzocht. Dit leidt tot een onnodig beslag op de beschikbare rechtshulpcapaciteit in de lidstaten.
Teneinde aan die praktijk een einde te maken wordt in de onderhavige bepaling, in het eerste lid, de toezending over post verplicht gesteld.
De uitzonderingen vormen de in het tweede lid omschreven gevallen.
(…)
De onderhavige bepaling geeft, mede gelet op het verplichtende karakter van het eerste lid, aanleiding wijziging te brengen in het tweede lid van artikel 588 van het Wetboek van Strafvordering. Verwezen wordt naar artikel I, onderdeel P, van het uitvoeringswetvoorstel.”
3.10
Het onder 3.8 in de Memorie van Toelichting gestelde heeft geresulteerd in de Wet van 18 maart 2004, Stb. 107, waarmee de wettelijke regeling omtrent uitreiking in het buitenland werd aangepast.3.De memorie van toelichting bij die wet (die strekte tot uitvoering van de EURechtshulpovereenkomst) bevatte onder meer de volgende passage:4.
“Artikel I (wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering) (…) Onderdeel P Artikel 588 De wijziging van het tweede lid is het rechtstreeks gevolg van het sterk verplichtende karakter van artikel 5 van het EU-rechtshulpverdrag om gerechtelijke stukken per post toe te zenden.
Uit het gewijzigde tweede lid blijkt in de eerste plaats dat bij de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan personen in het buitenland ook rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in het toepasselijk verdrag. Uit het EU-rechtshulpverdrag5.blijkt bij voorbeeld dat uitreiking door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteiten alleen mogelijk is in de gevallen waarin een betekening vereist is, maar ook dat bij gerechtelijke mededelingen bepaalde informatie dient te worden verstrekt. Uit het rechtshulpverdrag van de Raad van Europa en bilaterale rechtshulpverdragen, blijkt dat voor uitreiking door tussenkomst van de bevoegde autoriteiten bepaalde termijnen in acht dienen te worden genomen.”
3.11
Uit het voorgaande moet het volgende worden afgeleid. Wanneer van de verdachte een adres in het buitenland bekend is, vindt de uitreiking van de oproeping in hoger beroep ingevolge artikel 36e lid 3, eerste volzin, Sv plaats door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie “en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.” De wetgever heeft met deze door het verdrag toegelaten wijze van betekening willen verzekeren dat de door artikel 5 lid 1 EU-Rechtshulpovereenkomst verplicht gestelde rechtstreekse toezending zou plaatsvinden teneinde onnodig beslag op de beschikbare rechtshulpcapaciteit in de lidstaten te voorkomen. Toezending door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse (in dit geval: [plaats] ) autoriteit of instantie – de uitzonderingssituatie waarop de door [plaats] op grond van artikel 7 lid 3 ERV afgelegde verklaring betrekking heeft – kan uitsluitend plaatsvinden in de gevallen genoemd in artikel 5 lid 2 EURechtshulpovereenkomst waarin de toezending over de post onmogelijk of niet toereikend is. Nu die gevallen zich in de onderhavige zaak niet voordoen en de oproeping derhalve over de gewone post is verzonden is, anders dan de steller van het middel betoogt, de door [plaats] op grond van artikel 7 lid 3 ERV afgelegde verklaring niet van toepassing. De oproeping dient derhalve te geschieden met inachtneming van een termijn van tenminste – niet 30 maar – tien dagen als bedoeld in artikel 413 lid 1 Sv. Dat het gerechtshof ’sHertogenbosch in zijn arrest van 8 september 20106.anders lijkt te hebben geoordeeld maakt dat niet anders. De eerste deelklacht faalt.
3.12
Voor de beoordeling van de tweede deelklacht moet het volgende worden vooropgesteld. Van een verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman of raadsvrouw – die uit eigen hoofde een afschrift van die dagvaarding ontvangt als hij of zij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.7.
3.13
Uit de onder 3.3 genoemde stukken moet worden afgeleid dat de oproeping voor de terechtzitting van 26 november 2021 conform artikel 36e lid 3, eerste volzin, Sv en artikel 5 EU-Rechtshulpovereenkomst rechtstreeks aan het [plaats] adres van de verdachte is toegezonden, dat daarbij overeenkomstig artikel 413 lid 1 Sv een termijn van ten minste tien dagen in acht is genomen en dat ingevolge artikel 48, tweede volzin, Sv een afschrift van de oproeping aan de raadsman is toegezonden. De verdachte is daarmee in overeenstemming met de daartoe strekkende wettelijke voorschriften opgeroepen. Gelet hierop heeft het hof zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten de aanwezigheid van de verdachte te behandelen. Daarbij neem ik als algemene regel nog in aanmerking dat van de verdachte in de gegeven omstandigheden mag worden verlangd dat hij zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman om (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van het namens hem ingestelde beroep op de hoogte te komen, en dat de raadsman, ondanks de mogelijkheid daartoe in hoger beroep, ook geen verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279 Sv.8.De tweede deelklacht faalt.
3.14
Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑03‑2023
Kamerstukken II 2001/02, 28350 (R1720), nr. 3, p. 10-11.
Met de Wet van 18 maart 2004, Stb. 107, werd aan het destijds geldende artikel 588 lid 2 (oud) Sv (onder meer) de zinsnede “en, voor zover een verdrag van toepassing is, met in achtneming van dat verdrag” toegevoegd. Artikel 588 lid 2 (oud) Sv is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door het praktisch gelijkluidende artikel 36e lid 3 Sv (zie de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82). Artikel 36e lid 3 Sv verschilt in zoverre van het in 2004 gewijzigde artikel 588 lid 2 (oud) Sv, dat de zinsnede “door het openbaar ministerie” in artikel 36e lid 3 Sv niet voorkomt.
Lees: EU-Rechtshulpovereenkomst. Zie Kamerstukken II 2001/02, 28351, nr. 3, p. 1: “(…) Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 2000, 96) (voortaan: het EU-rechtshulpverdrag)”.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1539.
HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, rechtsoverweging 3.6.3. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere jurisprudentie: HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.37.
Zie HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, rechtsoverweging 3.6.4.
Beroepschrift 26‑03‑2022
Cassatieschriftuur
Inzake: Nawrocki/HR
2111193/003
Roldatum: 18 april 2022
Instantie: Hoge Raad der Nederlanden
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1970, zonder vaste woon- en verblijfplaats hier te lande, hierna te noemen, rekwirant, rekwirant van cassatie, in deze zaak woonplaats kiezende te Zoetermeer (2723 RM) aan de Stephensonstraat 45, ten kantore van Bandhoe Advocatuur, voor wie mr. A.M.V. Bandhoe als advocaat in deze optreedt en bepaaldelijk gevolmachtigd is tot het instellen van cassatie alsmede bepaaldelijk gevolmachtigd is tot het indienen van deze cassatieschriftuur houdende één cassatiemiddel tegen het gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 26 november 2021 met het rolnummer: 23/001024/21 alsmede tegen alle terechtzitting genomen tussenbeslissingen.
Cassatiemiddel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 358, 359 588, 415, 588 Sv, 280 Sr artikel 6 EVRM alsmede artikel 7 van het Europees-rechtshulpverdrag geschonden, doordat het gerechtshof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom verstek is verleend tegen rekwirant. Rekwirant had ten tijde van de nadere terechtzitting d.d. 26 november 2021 een BRP-adres in Polen. Voor rekwirant geldt een dagvaardingstermijn van 30 dagen. Het gerechtshof heeft de 30-dagen termijn niet in acht genomen en heeft ten onrechte verstek verleend, terwijl het gerechtshof het onderzoek had moet schorsen om het aanwezigheidsrecht van rekwirant te kunnen laten effecturen. Het arrest lijdt mitsdien aan nietigheid.
Toelichting
I.
Rekwirant is op 14 april 2021 veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor een diefstal. De politierechter heeft bij de beslissing van 14 april 2021 de vordering met betrekking tot de voorwaardelijke opgelegde straf (parketnummer: 10/168307/20) toegewezen.
II.
Op 19 april 2021 heeft rekwirant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 14 april 2021.
III.
Op 29 oktober 2021 heeft het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aanvang genomen, maar is het onderzoek ter terechtzitting geschorst.
IV.
Op 26 november 2021 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Blijkens het proces-verbaal van de zitting d.d. 26 november 2021 is rekwirant, die ten tijde van de zitting d.d. 26 november 2021 een BRP-adres in Polen had, niet verschenen. Ter zitting is het volgende gesteld:
De raadsheer geeft aan:
‘Er is een adres in Polen bekend. Daar is een oproeping en vertaling naar toe gestuurd.’
De raadsman verklaart:
‘Ik constateer op de SKDB van 29 oktober dat de verdachte een BRP in Polen heeft. Als ik ga tellen met de dagen en met de betekeningstermijn, dan kom ik uit op 30 dagen. Ik er vanuit dat hij op 29 oktober is betekend. Dan is er niet correct betekend.’
De raadsheer geeft aan:
‘Op 15 november 2021 is een afschrift naar Polen gegaan. Uw standpunt is dat dit te laat is?’
De raadsman verklaart:
‘Een dagvaarding naar Polen heeft een dagvaardingstermijn van 30 dagen.’
De raadsheer merkt op:
‘Uw weet dat dit geen wettelijke termijn is?’
De raadsman antwoordt:
‘Dit komt voort uit het rechtshulpverdrag.’
De advocaat-generaal voert aan:
‘Daar moet geen andere conclusie aan worden verbonden.
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.’
V.
Ter onderbouwing dat het gerechtshof ten onrechte verstek heeft verleend, verwijst rekwirant naar een arrest van gerechtshof Den Bosch d.d. 8 september 2010, ECLI:NL:GHSEHE:2010:BO1539. Het gerechtshof overweegt hiertoe:
- A.
Artikel 588, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering luidt:
‘De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.’
- B.
Artikel 7, derde lid, van het EU-rechtshulpverdrag luidt:
‘Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring (…) verzoeken dat een dagvaarding bestemd voor een verdachte die zich op haar grondgebied bevindt, een bepaalde tijd voor de datum welke voor de verschijning is vastgesteld, aan haar autoriteiten wordt toegezonden. Deze termijn wordt in de bedoelde verklaring aangegeven en mag de 50 dagen niet overschrijden’
- C.
Polen bekrachtigde het EU-rechtshulpverdrag met de volgende verklaring:
‘Article 7, paragraph 3, The transmission of the summons can be refused if less than 30 days remain before the date of appearance’.
- D.
Artikel 1, eerst lid van de EU-rechtshulpovereenkomst luidt:
‘Deze overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie van het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, hierna te noemen het Europese rechtshulpverdrag.’
- E.
Artikel 5, eerste lid van de EU-rechtshulpovereenkomst luidt:
‘Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.’
In de onderhavige zaak is van verdachte een adres in Polen bekend en de vraag is op welke wijze en met inachtneming van welke termijn een dagvaarding aan de verdachte moet worden uitgereikt.
Uit vorenstaande bepalingen (A t/m E) in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat kan worden volstaan met toezending van de dagvaarding aan verdachte rechtstreeks over de post zoals bepaald in de EU-rechtshulpovereenkomst waarbij Polen partij is.
De termijn die daarbij in acht moet worden genomen wordt in die overeenkomst niet genoemd. Omdat die overeenkomst echter strekt tot het aanvullen en vergemakkelijken van de toepassing van het EU-rechtshulpverdrag, moet naar het oordeel van het hof ook in dit geval, de bij dat verdrag door Polen genoemde termijn van 30 dagen (eigen cursivering)in acht worden genomen.
Deze uitleg strookt met het uitgangspunt van artikel 6 EVRM dat een verdachte het recht heeft om bij zijn berechting tegenwoordig te zijn. Dit impliceert dat de overheid de plicht heeft om zich daadwerkelijk in te spannen teneinde de verdachte te bereiken en in te lichten. In geval de betekening in het buitenland geschiedt dient daarbij naar het oordeel van het hof niet alleen de in art. 265 lid 1 en 413 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van 10 dagen in acht te worden genomen maar moet daarnaast tevens rekening gehouden worden met de overkomstduur van de gerechtelijke brief (in het geval van Polen 5 tot 10 dagen) en de tijd die redelijkerwijs moet worden aangenomen in verband met het regelen en ondernemen van de reis.
VI.
Aan rekwirant is op 15 november 2021 een oproep alsmede een vertaling gezonden voor de nadere terechtzitting van 26 november 2021. Het gerechtshof heeft daarmee de verdragsrechtelijke termijn voor de dagvaarding van 30 dagenniet in acht genomen.
Immers, de achterliggende gedachte is dat rekwirant voldoende tijd heeft om naar Nederland af te reizen teneinde zich in rechte te kunnen verdedigen. Het gerechtshof heeft ten onrechte gesteld dat de 30-dagen termijn geen ‘wettelijke-termijn’ is.
VII.
Het recht om het onderzoek terechtzitting bij te wonen, is vastgelegd in artikel 6 lid 3 sub C EVRM en is ook bevestigd in de bestendigde lijn van jurisprudentie van uw Raad. In tegenstelling tot het aanwezigheidsrecht met betrekking tot aanhoudingsverzoeken hoeft in casu geen belangenafweging gemaakt te worden. Immers, het gerechtshof heeft door een feitelijke misslag ten onrechte verstek tegen rekwirant verleend.
VIII.
Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest d.d. 26 november 2021 wat het verleende verstek onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. Het arrest lijdt daardoor aan een nietigheid.
Redenen waarom
[verdachte] zich eerbiedig tot de Hoge Raad der Nederlanden wendt met het verzoek het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 26 november 2021 (rolnummer: 23/001024/21) te vernietigen en de zaak naar het gerechtshof Den Haag dan wel een ander gerechtshof te verwijzen.
Advocaat
A.M.V.Bandhoe
Zoetermeer, 26 maart 2022