Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.5
10.4.5 Termijnen van voorlopige preventieve maatregelen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze bijzondere omstandigheden kunnen – in navolging van de rechtspraak van de Hoge Raad inzake de redelijke termijn in jeugdstrafzaken – zijn gelegen in: (1) de ingewikkeldheid van de zaak; (2) de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop; en (3) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Vgl. Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 13.1. Zie ook: Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016, 40.
Vanuit pedagogisch oogpunt is het van belang dat de tijd tussen het strafbare feit dat door een minderjarige is gepleegd en de strafrechtelijke reactie daarop zo kort mogelijk is. Dit veronderstelt een voortvarende procesgang, hetgeen ook uitdrukkelijk is erkend door het Kinderrechtencomité (2007, par. 51).
Dit geldt ook in de waarschijnlijk uitzonderlijke situatie waarin de raadkamer, op vordering van de officier, verlenging beveelt van een bevel tot voorlopige preventieve maatregelen dat tot dan toe geen voorlopige hechtenis omvatte, maar daarbij de invulling van dit bevel wijzigt door – in tegenstelling tot het voorgaande bevel – een voorlopige preventieve maatregel op te nemen die wel een vorm van voorlopige hechtenis met zich brengt (zie par. 10.4.3 en 10.4.6 over de vrijheid die de raadkamer heeft om bij verlenging van een bevel tot voorlopige preventieve maatregelen wijzigingen aan te brengen in dit bevel).
Dit sluit aan bij de aanbeveling van het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties dat minderjarigen recht hebben op een tweewekelijkse toetsing van de rechtmatigheid van het voortduren van voorlopige hechtenis. Met de mogelijkheid om daarvan in uitzonderlijke gevallen afstand te doen, kan worden voorkomen dat de minderjarige en andere actoren tegen wil en dank worden belast met raadkamerzittingen die weinig zinvol zijn.
Deze maximale termijn van voorlopige hechtenis voorafgaand aan de eerste zitting gaat uit van een bevel tot voorlopige hechtenis van veertien dagen dat driemaal met veertien dagen wordt verlengd. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de aanbeveling van het Kinderrechtencomité om jeugdspecifieke termijnen voor voorlopige hechtenis te ontwikkelen en een tweewekelijkse rechterlijke toetsing in te bouwen. Wel wordt afgeweken van de aanbeveling van het Comité om te waarborgen dat de zaak binnen 30 dagen op zitting wordt gebracht, daar deze termijn het Openbaar Ministerie wel erg kort de tijd geeft om de zaak rond te krijgen en dit daarom in de praktijk waarschijnlijk vooral tot meer pro forma zittingen zal leiden. Met een termijn van 56 dagen wordt getracht een evenwicht te zoeken tussen de vanuit kinderrechtenperspectief gewenste verkorting van de wettelijke termijnen voor voorlopige hechtenis van minderjarigen en de door het Openbaar Ministerie benodigde duur om een zaak rond te krijgen. Zie ook: RSJ 2011(a), p. 45 en Van den Brink 2012, p. 8.
Hier is de beschreven uitzondering op de maximumtermijn van veertien dagen van overeenkomstige toepassing.
Vgl. de aanbeveling van het Kinderrechtencomité om te waarborgen dat jeugdstrafzaken, waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, uiterlijk binnen zes maanden worden afgedaan.
De rechter die in het voorgestelde nieuwe model een voorlopige preventieve maatregel ten aanzien van een minderjarige verdachte beveelt, bepaalt daarbij de duur van dit bevel binnen de grenzen die de wet stelt. In het voorgestelde nieuwe model bepaalt de wet dat de inzet van voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van een minderjarige verdachte tijdens het strafproces in eerste aanleg in beginsel een maximale werkingsduur heeft van 180 dagen, waarvan enkel in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.1 Deze uiterste werkingsduur geldt ongeacht welke van de (onder 1ë tot en met 12ë in par. 10.4.2 opgesomde) voorlopige preventieve maatregelen worden toegepast en beoogt te stimuleren dat jeugdstrafzaken, waarbij de minderjarige verdachte voorafgaand aan zijn berechting is onderworpen aan maatregelen, binnen zes maanden met een einduitspraak in eerste aanleg worden afgedaan.2 De termijn van 180 dagen loopt vanaf het moment dat de rechter-commissaris een eerste voorlopige preventieve maatregel beveelt, ongeacht of de betreffende maatregel nadien wordt gewijzigd in een andere (combinatie van) voorlopige preventieve maatregel(en). Voorts stelt de wet voor een aantal specifieke voorlopige preventieve maatregelen nadere begrenzingen aan de werkingsduur.
Indien de rechter-commissaris een voorlopige preventieve maatregel beveelt die een vorm van voorlopige hechtenis met zich brengt (zie 9°, 10° en 11° in par. 10.4.2), dan gaat de werking van deze maatregel de duur van veertien dagen niet te boven.3 Vervolgens kan de raadkamer de werking van deze maatregel, op de vordering van de officier van justitie, vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ten hoogste driemaal verlengen, ook al staat het de raadkamer telkens vrij om minder ingrijpende voorlopige preventieve maatregelen dan voorlopige hechtenis toe te passen. Indien de raadkamer toch besluit tot verlenging van voorlopige hechtenis, dan wordt dit bevel in beginsel steeds voor maximaal veertien dagen verlengd. Dit kan slechts anders zijn als de raadkamer van oordeel is dat er zwaarwegende omstandigheden zijn – niet zijnde de ernst van het strafbare feit als zodanig – die aanleiding geven om een bevel tot verlenging van een langere duur af te geven. Hierbij kan worden gedacht aan een lopend intramuraal persoonlijkheidsonderzoek waarvan de resultaten moeten worden afgewacht, waardoor het tweewekelijks optuigen van een raadkamerzitting voor zowel de minderjarige verdachte als de rechtbank en de andere actoren onnodig belastend is. Wel is voor een bevel tot verlenging van de voorlopige hechtenis met een langere duur dan veertien dagen instemming nodig van de verdachte (lees: in samenspraak met zijn advocaat).4 Hierbij geldt dat de duur van het bevel tot voorlopige hechtenis en de verlengingen daarvan tezamen vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in geen geval de termijn van 56 dagen te boven mag gaan.5 Na aanvang kan het bevel tot voorlopige hechtenis meermaals worden verlengd met in beginsel ten hoogste veertien dagen,6 met dien verstande dat de totale duur van het bevel – behoudens de eerder genoemde bijzondere omstandigheden – de termijn van 180 dagen niet overschrijdt.7
Voorts wordt in het nieuwe model de termijn van een door de rechter afgegeven bevel tot een voorlopige preventieve maatregel dat strekt tot aanvaarding van intensieve begeleiding door de jeugdreclassering, dan wel tot vrijheidsbeperking in de vorm van een contactverbod, meldplicht, locatieverbod of locatiegebod (zie 2ë en 5ë, 6ë, 7ë en 8ë in par. 10.4.2) begrensd tot hoogstens 90 dagen. De door de rechter bepaalde termijn van het bevel dat strekt tot deze voorlopige preventieve maatregelen kan door de raadkamer, op vordering van de officier, maximaal eenmaal met ten hoogste 90 dagen worden verlengd. Ook hier blijft gelden dat de minderjarige verdachte gedurende het proces in eerste aanleg in beginsel niet langer dan 180 dagen kan zijn gebonden aan voorlopige preventieve maatregelen. Een voorbeeld ter verduidelijking: als de minderjarige eerst 100 dagen in voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting heeft doorgebracht (zie voorlopige preventieve maatregel onder 11ë), kan daaropvolgend een bevel tot een contactverbod niet langer dan 80 dagen voortduren. Een vreemde eend in de bijt is voorts het bevel tot deelname aan een leerproject (zie voorlopige preventieve maatregel onder 3ë), hetwelk een looptijd kan hebben van ten hoogste 120 uur. In het bovenstaande voorbeeld betekent de rechter bij het bepalen van de duur van het leerproject er rekening mee moet houden dat het leerproject in redelijkheid binnen de resterende 80 dagen moet kunnen worden uitgevoerd.
Tot slot verdient bijzondere aandacht dat indien de rechter een bevel tot een combinatie van voorlopige preventieve maatregelen afgeeft, dit bevel als geheel één looptijd heeft die door de rechter wordt bepaald. Met andere woorden: de in het bevel opgenomen voorlopige preventieve maatregelen hebben geen afzonderlijke werkingsduur. Bij het bepalen van de looptijd van het bevel moet de rechter de wettelijke termijnen van alle in het bevel opgenomen voorlopige preventieve maatregelen – het leerproject niet meegerekend – in acht nemen. Dit betekent dat de voorlopige preventieve maatregel met de kortste wettelijke termijn de uiterste grens bepaalt van de werkingsduur van het bevel als geheel. Ook hier past een voorbeeld: als de rechter een bevel afgeeft tot een combinatie van huisarrest als vorm van voorlopige hechtenis (9ë), een contactverbod met medeverdachte (5ë) en het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering (1ë), dan kan de door de rechter te bepalen looptijd van het bevel de duur van veertien dagen niet te boven gaan (lees: de uiterste termijn van een bevel tot voorlopige hechtenis). Beveelt de rechter daarentegen een combinatie van enkel het contactverbod en het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering als voorlopige preventieve maatregelen (dus zonder huisarrest), dan is de maximale door de rechter te bepalen looptijd van het bevel 90 dagen (lees: de maximale termijn van een bevel tot een contactverbod). Hierbij staat het de rechter uiteraard vrij om een kortere looptijd van het bevel vast te stellen, daar als uitgangspunt geldt dat een bevel tot een (combinatie van) voorlopige preventieve maatregel(en) niet langer voortduurt dan strikt noodzakelijk en proportioneel is voor de verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen die voortvloeien uit de gronden waarop het bevel is gebaseerd.