Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.2
10.4.2 Continuüm van voorlopige preventieve maatregelen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. resp. artikel 27, eerste lid BTJ en artikel 493, derde lid Sv.
Wel kan een aanwijzing van de jeugdreclassering bijvoorbeeld inhouden dat de minderjarige zich moet conformeren aan een op civielrechtelijke titel afgegeven machtiging tot gesloten jeugdhulp, daar niet de aanwijzing, maar de civielrechtelijke machtiging de grondslag is van vrijheidsbeneming van de minderjarige.
Ook hier geldt dat een onder 12° bedoelde voorlopige preventieve maatregel kan inhouden dat de minderjarige zich moet conformeren aan een op civielrechtelijke titel afgegeven machtiging tot gesloten jeugdhulp, daar niet deze voorlopige preventieve maatregel, maar de civielrechtelijke machtiging de grondslag vormt van vrijheidsbeneming van de minderjarige.
Anders dan de systematiek van het huidige schorsingsmodel voorschrijft, hoeft de rechter in het voorgestelde nieuwe model voor het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen niet eerst de meest ingrijpende maatregel (voorlopige hechtenis) te bevelen alvorens hij toegang krijgt tot minder ingrijpende maatregelen. Indien aan de wettelijke criteria is voldaan en er dus een strafvorderlijke grond is om voorlopige preventieve maatregelen te bevelen (zie par. 10.4.4), krijgt de rechter direct de beschikking over een breed scala aan mogelijk op te leggen voorlopige preventieve maatregelen. Hierbij geldt als vertrekpunt van de rechterlijke besluitvorming dat de minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in volledige vrijheid (lees: zonder voorlopige preventieve maatregelen) mag afwachten. Voorlopige hechtenis, ten uitvoer gelegd in een justitiële jeugdinrichting, geldt daarentegen als uiterste maatregel. Tussen deze twee extremen vormt zich een continuüm van voorlopige preventieve maatregelen, waarlangs de rechter op zoek moet gaan naar de minst ingrijpende maatregel, dan wel de minst ingrijpende combinatie van maatregelen, waarmee de uit de grond(en) voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Voorlopige hechtenis komt hierbij pas in beeld als alle andere (combinaties van) voorlopige preventieve maatregelen ontoereikend worden geacht (zie figuur 10.1).
Indachtig het scala aan interventies dat thans als schorsingsvoorwaarden en/of tenuitvoerleggingsmodaliteiten van voorlopige hechtenis beschikbaar is,1 dienen bij de invoering van het voorgestelde nieuwe model de volgende voorlopige preventieve maatregelen een wettelijke grondslag te krijgen: 1°) het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als deze inhouden het volgen van een behandeling; 2°) het aanvaarden van intensieve begeleiding van de jeugdreclassering; 3°) deelname aan een leerproject; 4°) een verbod op middelengebruik; 5°) een contactverbod 6°) een meldplicht; 7°) een locatieverbod; 8°) een locatiegebod; 9°) voorlopige hechtenis op een daartoe geschikte plaats, niet zijnde een justitiële jeugdinrichting; 10°) voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie in een justitiële jeugdinrichting; 11°) voorlopige hechtenis als voltijds verblijf in een justitiële jeugdinrichting; en 12°) andere voorlopige preventieve maatregelen die strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de uit de grond(en) van het bevel voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen.
Hierbij zou in de Memorie van Toelichting op de wettelijke regeling van deze voorlopige preventieve maatregelen moeten worden opgenomen dat de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zoals bedoeld onder 1°, vormen van jeugdhulp kunnen omvatten, maar geen zelfstandige grond vormen voor vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking van de minderjarige verdachte.2 Voorts dient in de toelichting duidelijk te worden dat het locatiegebod onder 8° zich onderscheidt van voorlopige hechtenis, zoals bedoeld onder 9°, doordat het locatiegebod betrekking heeft op het gedwongen aanwezig zijn op een bepaalde locatie voor ten hoogste twaalf aansluitende uren. Dit betekent dat een avondklok moet worden beschouwd als een locatiegebod, terwijl huisarrest, waarbij de minderjarige verdachte – behoudens de doordeweekse schoolgang – de gehele dag thuis moet blijven, heeft te gelden als modaliteit van voorlopige hechtenis. Tot slot beoogt de restcategorie onder 12° de rechter flexibiliteit te bieden om voorlopige preventieve maatregelen te bevelen die niet expliciet in de wet zijn opgenomen, maar wel noodzakelijk worden geacht om de uit de gronden van het bevel voortvloeiende strafvorderlijke doelstellingen te realiseren. Deze restcategorie kan invulling krijgen met vormen van jeugdhulp, maar vormt geen zelfstandige grondslag voor vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking van de minderjarige.3 Ook biedt de restcategorie geen basis voor overwegend bestraffende maatregelen, zoals een taakstraf, aangezien dit onverenigbaar is met de onschuldpresumptie.
De rechter kan verschillende voorlopige preventieve maatregelen met elkaar combineren, mits deze combinatie van maatregelen strikt noodzakelijk en proportioneel is met het oog op de verwezenlijking van de strafvorderlijke doelstellingen. Ook kan de rechter aan voorlopige preventieve maatregelen elektronisch toezicht verbinden. Hierbij geldt als generieke uitzondering dat de voorlopige hechtenis, als bedoeld onder 11°, niet gelijktijdig met andere voorlopige preventieve maatregelen, noch tezamen met elektronisch toezicht kan worden toegepast.