Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/3.1.1
3.1.1 Nadruk op continuïteit
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957931:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het hoofdstuk 2 is beschreven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen continuïteit van het vermogensbestanddeel zelf en continuïteit van het vermogensbestanddeel binnen een familie. Zoals aangegeven zal in dit onderzoek enkel op de laatste vorm van continuïteit worden ingegaan.
Zie onder andere de schematische weergave in paragraaf 2.3.4.3.
Zie bijvoorbeeld Vegter 2004, p. 129, Hamers en Zaman 2013, p. 55, Kuijper 2017, p. 12, Noordeloos en König 2023, p. 346.
Dat neemt niet weg dat er elementen uit het civielrechtelijk toetsingskader zijn die voor de andere motieven in de categorie ‘overgang naar de volgende generatie’ kunnen worden gebruikt.
Zie hiervoor paragraaf 2.3.2.
In hoofdstuk 2 komt naar voren dat de fiscale gevolgen van een bepaalde beheerstructuur wel invloed hebben op de uiteindelijke keuze voor een bepaalde beheerstructuur. Het is echter zelden het voornaamste motief om tot beheer over te gaan. Zie onder andere de schematische weergave in paragraaf 2.3.4.3.
Ook zou een toetsingskader op basis van het motief fiscaliteit snel kunnen leiden tot een ethische discussie omtrent mogelijke belastingontwijking. Een dergelijke discussie gaat dit onderzoek te buiten.
In de interviews is het gebruik van certificering van vermogen voor de motieven uit de categorie uit handen geven van het dagelijks beheer geen enkele keer genoemd. Dat wil overigens niet zeggen dat het niet mogelijk is om certificering van vermogen voor deze motieven in te zetten. Het lijkt in elk geval geen gangbaar gebruik in de praktijk.
Een voorbeeld van een beheerstructuur die bij deze categorie wordt gebruikt is het levenstestament. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een volmacht. De gevolmachtigde krijgt op basis van de volmacht zeggenschap over het vermogen van de rechthebbende, maar het economisch belang blijft bij de rechthebbende zelf.
In het vorige hoofdstuk zijn de motieven vastgesteld op basis waarvan men wil overgaan tot het beheer van familievermogen. Deze motieven zijn in vier categorieën verdeeld, te weten:
Uit handen geven van het dagelijks beheer;
Privacy;
Fiscaal; en
Overgang volgende generatie.
In de vierde categorie vallen meerdere motieven. Het voornaamste motief binnen deze categorie is continuïteit van het familievermogen.1 Onder het motief continuïteit vallen enkele andere motieven die uiteindelijk leiden naar het hoofdmotief continuïteit. Dat continuïteit het voornaamste motief is, blijkt onder meer uit het feit dat dit motief het meest werd genoemd in de interviews.2 Daarnaast geldt ook dat het motief continuïteit van vermogen aan de orde kan zijn bij alle onderscheiden soorten van vermogensbestanddelen, te weten familiebedrijven, onroerend goed, kunstcollecties en beleggingsportefeuilles. Ook in de juridische literatuur wordt regelmatig verwezen naar het motief continuïteit.3
In het vorige hoofdstuk is beschreven dat er nog andere motieven, naast continuïteit, zijn die in de vierde categorie van motieven vallen. Dit zijn bijvoorbeeld de motieven behoud van zeggenschap en opvoeding. Voor deze motieven geldt dat zij soms onder het hoofdmotief continuïteit vallen en soms als zelfstandig motief binnen de vierde categorie een plek innemen. Bij een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) kan bijvoorbeeld de wens bestaan om al een deel van het economisch belang bij de aandelen in zijn BV over te dragen naar de volgende generatie zonder dat hij daarmee de zeggenschap over zijn onderneming afstaat. Hier speelt het motief behoud van zeggenschap. Daarbij kan het zo zijn dat de dga zijn zeggenschap wil behouden, omdat dit volgens hem bijdraagt aan de continuïteit van de onderneming. Maar het willen behouden van de zeggenschap kan ook bestaan zonder dat het continuïteitsmotief speelt, bijvoorbeeld omdat de dga er nog niet klaar voor is om zijn functie neer te leggen.
Het civielrechtelijk toetsingskader dat in dit hoofdstuk wordt beschreven is enkel opgesteld ten behoeve van het motief continuïteit. Het is met andere woorden bedoeld om te toetsen in hoeverre certificering van vermogen kan worden gebruikt als beheerstructuur op het moment dat het motief om te gaan beheren continuïteit is.4
Er volgen nog enkele opmerkingen waarom de andere categorieën van motieven niet worden gebruikt. De motieven privacy en fiscaliteit lenen zich er niet goed voor om als toetsingskader te dienen. Voor het motief van privacy is dit het geval vanwege de huidige ontwikkelingen in de regelgeving en jurisprudentie ten aanzien van het al dan niet (verplicht) geven en toegankelijk maken van informatie door uiteindelijk belanghebbenden.5 Het is niet mogelijk om op dit moment een bestendig toetsingskader op te stellen.
Ook bij het motief fiscaliteit geldt dat dit steeds aan veranderende regelgeving onderhevig is. Bovendien is bij de afbakening van dit onderzoek in hoofdstuk 1 reeds bepaald dat fiscale gevolgen van beheerstructuren buiten het bereik van dit onderzoek vallen. Tot slot kan bij dit motief nog worden gemeld dat het motief fiscaliteit een beperkte rol heeft in de totale omvang van de motieven.6 Door de respondenten in de interviews werd aangegeven dat het motief fiscaliteit niet vaak als leidend motief aanwezig is.7
Voor de categorie motieven waarbij het dagelijks beheer uit handen wordt gegeven geldt dat de beheerstructuur van certificering van vermogen niet lijkt te worden ingezet voor deze categorie.8 Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat bij de motieven uit de categorie uit handen geven van het dagelijks beheer, de scheiding van zeggenschap en economisch belang in veel gevallen precies omgekeerd plaatsvindt ten opzichte van de motieven in de categorie overgang naar een volgende generatie. In de laatstgenoemde categorie zal in veel gevallen het economisch belang (gedeeltelijk) bij een ander komen te liggen dan bij de rechthebbende van het vermogen. De zeggenschap zal bij deze categorie in veel gevallen juist wel (gedeeltelijk) aanwezig blijven bij de rechthebbende van het vermogen. Bij de categorie waarbij het dagelijks beheer uit handen wordt gegeven zal de situatie in veel gevallen precies omgekeerd zijn. De rechthebbende van het vermogen zal bij de uitvoering van die motieven in een beheerstructuur vaak zelf economisch belanghebbende blijven, terwijl de zeggenschap (gedeeltelijk) bij één of meer anderen zal komen te liggen.9 Op basis van dit verschil kan worden aangenomen dat een civielrechtelijk toetsingskader voor deze motieven andere elementen bevat dan voor de motieven die in de categorie overgang naar een volgende generatie vallen.