Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/3.4.1
3.4.1 Boedelschulden, faillissementsschulden en niet-verifieerbare schulden
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS617404:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Galen 1996, p. 393.
Deze criteria zijn afkomstig van de Hoge Raad. Zie HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013, 291 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Koot Beheer/Tideman q.q.).
Vriesendorp 2013, p. 287.
Van Buchem-Spapens & Pouw 2013, p. 63.
Van Buchem-Spapens & Pouw 2013, p. 62.
HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013, 291 m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Zie r.o. 3.2 van het arrest.
Zie r.o. 3.6.3 van het arrest.
HR 28 september 1990, NJ 1991, 305, m.nt. P. van Schilfgaarde.
HR 12 november 1993, NJ 1994, 229, m.nt. W.M. Kleijn.
HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8170, NJ 2004, 617, m.nt. P. van Schilfgaarde.
Van Andel & Van Zanten 2013, p. 140. Zie ook r.o. 3.8 van het arrest.
Verstijlen 2013, p. 2134.
Behoudens door de wet erkende redenen van voorrang, zie r.o. 3.6.1 van het arrest.
Zie r.o. 3.7.1 van het arrest.
Zie r.o. 3.7.3 van het arrest Koot Beheer/Tideman q.q.
Van Galen 1996, p. 394.
HR 12 mei 1992, NJ 1992, 630.
Voor de verhaalspositie van schuldeisers in een faillissement is het van belang om onderscheid te maken tussen drie soorten schulden: boedelschulden, faillissementsschulden en niet-verifieerbare schulden.1 De boedelschulden en faillissementsschulden kunnen worden verhaald op het vermogen van de failliete schuldenaar, de niet-verifieerbare schulden niet. Aan de hand van schema 1 kan worden vastgesteld om wat voor type schuld het in een specifiek geval gaat.
Schema 1: Drie typen schulden in faillissement
2
Aan het onderscheid tussen de verschillende schulden ligt het fixatiebeginsel ten grondslag. Op grond van dit beginsel worden zowel de activa als de passiva met het uitspreken van het faillissement gefixeerd. Schulden kunnen voor en na de faillietverklaring ontstaan. De schulden die al bestaan op de dag van faillietverklaring worden aangeduid als ‘faillissementsschulden’. Daaronder vallen ook de nog niet-opeisbare schulden; een door partijen overeengekomen termijn voor nakoming vervalt op grond van art. 6:40 BW door de faillietverklaring.3 De faillissementsvorderingen kunnen in een faillissement op grond van art. 26 Fw slechts geldend gemaakt worden door indiening van deze vorderingen ter verificatie.
Ten aanzien van de vorderingen die pas ontstaan op of na de dag van faillietverklaring, moet onderscheid worden gemaakt tussen de ‘boedelschulden’ en de ‘niet-verifieerbare schulden’. Boedelschulden worden onmiddellijk uit de boedel voldaan en hoeven niet ter verificatie te worden ingediend.4 In de Faillissementswet ontbreekt een bepaling op grond waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van een boedelschuld. In de literatuur wordt wel gezegd dat het schulden zijn die ontstaan door en in elk geval na de faillietverklaring.5 Maar niet elke schuld ontstaan na de faillietverklaring vormt een boedelschuld. In het arrest Koot Beheer/Tideman q.q.6 heeft de Hoge Raad bepaald wanneer er sprake is van een boedelschuld. In dit arrest ging het om een huurovereenkomst die door de curator was opgezegd. Bij de oplevering blijkt er schade te zijn aan de buitengevel en de deuren van de gehuurde bedrijfsruimte. Het gaat om een schadepost van € 24.000,-. Koot Beheer vordert als verhuurder betaling van dit bedrag van de curator. Koot Beheer stelt zich op het standpunt dat deze vordering een boedelschuld betreft omdat de vordering is ontstaan door toedoen van de curator, namelijk door opzegging van de huurovereenkomst. De curator voert aan dat de verplichting om de schade te herstellen niet voortvloeit uit de opleveringsverplichting, maar uit de algemene bepalingen van de huurovereenkomst en de wettelijke bepalingen die verplichten tot herstel van die schade tijdens de looptijd van de huur.7
De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van een boedelschuld op de enkele grond dat de schadevergoedingsvordering is ontstaan als gevolg van een rechtshandeling – en dus door toedoen – van de curator.8 De Hoge Raad doet daarmee het toedoencriterium – dat door de Hoge Raad is geformuleerd in de arresten De Ranitz q.q./Ontvanger,9 Frima q.q./Blankers-Van Gennip10 en Circle Plastics11 – in de ban.12 Onder het oude regime was met de enkele constatering dat door die rechtshandeling – in dit geval de opzegging van de huurovereenkomst – een schuld was ontstaan een boedelschuld gegeven, zelfs al kon de curator er niet omheen die rechtshandeling te verrichten.13 In dit geval kon de Hoge Raad niet om de opzegging van de huurovereenkomst heen. In de Faillissementswet is geen rechtvaardiging of grond te vinden om af te wijken van de hoofdregel dat wanneer de curator er in het belang van de boedel voor kiest om geen uitvoering te geven aan een voor de faillietverklaring aangegane overeenkomst, voor de wederpartij van deze overeenkomst slechts een concurrente vordering14 resteert, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad geeft vervolgens aan wanneer er sprake is van een boedelschuld: “Op grond van die wet (Faillissementswet, toevoeging NL) zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).”15 Uit deze rechtsoverweging kan worden opgemaakt dat boedelschulden op drie manieren kunnen ontstaan: ingevolge de wet, omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan of omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Een voorbeeld van een boedelschuld die ontstaat ingevolge de wet, is het loon dat een failliete werkgever vanaf de dag van de faillietverklaring verschuldigd is. Art. 40 lid 2 Fw bepaalt dat dit een boedelschuld is. Bij een boedelschuld die door de curator in zijn hoedanigheid is aangegaan kan bijvoorbeeld worden gedacht aan taxatiekosten die worden gemaakt omdat de curator een taxateur inschakelt om de waarde van een pand van de failliet te laten bepalen. Wanneer de curator een overeenkomst opzegt terwijl een opzegbevoegdheid ontbreekt, is er sprake van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis.16
Schulden die noch faillissementsschulden noch boedelschulden zijn, worden aangeduid met de term ‘niet-verifieerbare schulden’.17 Dat deze schulden niet verifieerbaar zijn, volgt uit art. 24 Fw: de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen die na de faillietverklaring zijn ontstaan, tenzij de boedel hierdoor is gebaat. Is de boedel wel gebaat, dan heeft de schuldeiser een vordering op het vermogen van de schuldenaar tot het bedrag van het voordeel. In dat geval is sprake van een boedelschuld.18