Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.8.4
2.8.4 Wil, verklaring en vertrouwen
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587299:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Die echter niet noodzakelijkerwijs de vorm van een expliciete wilsuiting hoeft aan te nemen, zie noot 3 hieronder. Zie ook Willoweit 1969, p. 102.
Vgl. het eerste citaat van Flume onder 7.2.
Maar wel genuanceerd. Een overeenkomst kan immers ook uit een tussen partijen op enig moment bestaande feitelijke situatie worden afgeleid, zonder dat een expliciete wilsuiting is vastgesteld. Zie recentelijk HR 2 september 2011, NI 2012, 75. Vgl. Hamaker 1913, pp. 378379 en p. 383: 'Ik beweer (...) dat eene overeenkomst aanwezig zijn en de verbintenis ontstaan kan, zonder dat van dien of zelfs van eenigen anderen wil behoeft te blijken.'
Zie noot 3 hiervoor.
Zie Antwoord Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3 NBW, p. 169. Zie ook Asser-Hartkamp 4-II (negende druk), nr. 103. Anders Hijma 1989, p. 18, die meent dat beide artikelen evident in de sleutel van de wilsvertrouwensleer zijn geplaatst. Ik deel deze opvatting niet. Zo stelt art. 3:33 BW weliswaar dat voor een rechtshandeling een wil vereist is die zich in een verklaring heeft geopenbaard, maar daarmee geeft het artikel nog niet weer op welke grondslag de verklarende aan zijn verklaring gebonden is. Dat dit de wil zou zijn, wordt in het artikel niet gesteld. Zie over de verhouding tussen art. 3:33 BW en 3:35 BW voorts Sieburgh 2004, p. 22.
Dat, zoals hiervoor uiteengezet, redelijkheid en billijkheid de gebondenheid aan het overeengekomene teweegbrengen, betekent niet dat de elementen wil, verklaring en vertrouwen die in de hiervoor besproken klassieke gebondenheidstheorieën als bindende factoren zijn aangewezen, in de hier verdedigde opvatting plotsklaps niet meer van belang zouden zijn. Dat zijn zij wel, zij het dat zij naar mijn opvatting eerst in samenhang met en in verhouding tot de norm van redelijkheid en billijkheid een hen passende betekenis verkrijgen. Ik licht dit toe als volgt.
Ook als niet de wil, verklaring of het vertrouwen, maar de redelijkheid en billijkheid als grondslag voor gebondenheid dienen, blijft genoemd begrippentrio van belang voor de vaststelling of en ten aanzien waarvan men zich heeft gebonden. Zo is ook in de hier geboden visie op gebondenheid een rechtshandeling niet goed denkbaar zonder partij-autonomie, zonder op rechtsgevolg gerichte (en kenbaar gemaakte) intentionaliteit.1 Bij gebreke daarvan kan het contractsvehikel eenvoudigweg niet op gang komen.2Art. 3:33 BW, dat bepaalt dat voor elke rechtshandeling een wil vereist is, die zich in een verklaring heeft geopenbaard, wordt door de hier gepresenteerde gebondenheidsleer derhalve niet van zijn betekenis beroofd.3 Wil en verklaring vormen echter weliswaar een (doorgaans)4 noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de rechtshandeling, maar niet een voldoende voorwaarde om gebondenheid aan te nemen. De gebondenheid van de verklarende is immers blijkens het voorgaande niet op de wil of op de verklaring gebaseerd, maar op de door de redelijkheid en billijkheid opgelegde plicht van de verklarende jegens de ontvanger om zich gebonden te weten. Evenzeer kan met de redelijkheid en billijkheid als grondslag in overeenstemming met art. 3:35 BW gezegd (blijven) worden dat "tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, (...) geen beroep (kan) worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil." Grondslag voor gebondenheid is in dit soort gevallen echter niet, zoals wel wordt aangenomen, het opgewekte vertrouwen zelf, maar de rechtsnorm van redelijkheid en billijkheid, welke van de handelende eist om zich gebonden te weten op de wijze zoals hij zijn wil — hoe onvolkomen ook jegens de fidens heeft kenbaar gemaakt. Tegenspraak met de artikelen 3:33 en 3:35 BW levert de hantering van de redelijkheid en billijkheid als grondslag voor gebondenheid derhalve niet op. Overigens kan ook uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de redactie van deze artikelen geen keuze of voorkeur van de wetgever suggereert voor een bepaalde grondslag voor gebondenheid. De vraag naar deze grondslag is "nadrukkelijk overgelaten aan de doctrine".5