Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/5.3.0:Inleiding
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/5.3.0
Inleiding
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607841:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Bijzondere onderwerpen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Asser/De Boer merkt op dat de in paragraaf 5.2 beschreven verschuivingen in de sociaal-maatschappelijke visie op relaties, huwelijk en gezin ook heeft geleid tot grotere openheid in het familierechtelijke systeem, en tot meer elasticiteit ten aanzien van de daarin gebruikte begrippen. In dit verband is in de notitie ‘Leefvormen’ beschreven dat zich sinds het eind van de jaren zeventig op het terrein van het familierecht belangrijke ontwikkelingen hebben voltrokken.1 In plaats van een sterke orientatie op het huwelijk, is het familierecht de afgelopen jaren steeds meer gericht op het familie- en gezinsleven zoals dat feitelijk voorkomt in de maatschappij. Zo is op 1 januari 1998 het geregistreerd partnerschap geïntroduceerd als wettelijk erkende samenlevingvorm. Voorts is het vanaf 1 april 2001 mogelijk dat personen van hetzelfde geslacht een huwelijk sluiten, en een kind adopteren. Het personen- en familierecht is de afgelopen jaren dus ingrijpend gewijzigd en aangepast aan de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid van relaties, huwelijk en gezin.
De aanpassing van het wettelijk familierecht aan de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling van relaties, huwelijk en gezin is mede beïnvloed door enkele baanbrekende beslissingen van het EHRM over de uitleg van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met name art. 8 en art. 14 EVRM zijn van belang voor het Nederlandse personen- en familierecht.
Art. 8 EVRM omvat het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (‘family-life’), en luidt als volgt:
‘1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
In art. 14 EVRM is bepaald:
‘Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.’
In een aantal beslissingen van het EHRM is met name een verstrekkende betekenis toegekend aan het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (‘familylife’) in de zin van het hiervoor genoemde art. 8 EVRM.2 In EHRM 13 juni 1979 (Marckx), NJ 1980, 462, is bijvoorbeeld beslist dat er ‘family life’ bestaat tussen een moeder en haar kind, louter door de geboorte, ongeacht of dit een wettig of onwettig kind betreft. Voorts is op basis van EHRM 18 december 1986 (Johnston), NJ 1989, 97, sprake van ‘family life’ tussen een langdurig ongehuwd samenwonende man en vrouw en hun kind. Uit EHRM 26 mei 1994 (Keegan), NJ 1995, 247, blijkt dat ook sprake is van ‘family life’ tussen de biologische vader en zijn kind, mits de biologische vader een relatie met de moeder heeft die in voldoende mate op één lijn valt te stellen met die van een huwelijk. Hierbij is niet van belang dat de geboorte plaatsvindt nadat de samenleving tussen de ouders is verbroken of hun relatie is geëindigd.
Specifiek voor het Nederlandse personen- en familierecht geldt op basis van HR 6 november 1987, NJ 1988, 829, dat ook tussen pleegouders en hun pleegkind een betrekking kan bestaan die ‘family life’ impliceert. In dezelfde zin is beslist in HR 10 maart 1989, NJ 1990, 24, en in HR 23 maart 1990, NJ l991, 149 en 150.