Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.2.2:4.2.2 Het einde van de geestelijke en wereldlijke dominantie van de katholieke kerk
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.2.2
4.2.2 Het einde van de geestelijke en wereldlijke dominantie van de katholieke kerk
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456405:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het tijdperk voor de reformatie en voordat Nederland zich uitriep tot republiek was het katholieke geloof de heersende godsdienst. Het territorium van het huidige Nederland maakte in wisselende gedaanten vanaf de vroege middeleeuwen tot de reformatie onderdeel uit van het Corpus Christianum en zijn opvolger de Respublica Christiana. In deze grensoverschrijdende theocratie waren de wereldlijke en geestelijke macht niet van elkaar gescheiden. De kerk was oppermachtig en vrijheid van godsdienst was er niet.1
Afgezien van het gedachtegoed van de reformatie2 zijn er twee belangrijke veranderingen in het denken geweest die hebben bijgedragen aan het einde van de geestelijke en wereldlijke dominantie van de katholieke kerk in Europa.3 Ten eerste de opkomst van staatsabsolutistische theorieën waarbij religie geheel ondergeschikt werd gemaakt aan de macht van soeverein. Ten tweede de veranderende opvattingen op het terrein van wetenschap en mensbeeld waardoor het katholieke natuurrecht aan overtuigingskracht verloor.4 De staatsabsolutistische theorieën plaatsen de staat op een verheven positie en machtigen de staat om religieuze zaken aan zich te onderwerpen.5 De theorie is geïnspireerd door het beginsel cuius regio, eius religio (‘wiens gebied, diens religie’), dat vanaf de Vrede van Augsburg (1555) tot aan de Franse revolutie (1789) geldingskracht had.6 Om de spanningen tussen katholieken en protestanten het hoofd te bieden ging de vorst zich de macht toe-eigenen om de religie te bepalen van diegene die zich op zijn grondgebied bevond. Het beginsel bood echter geen antwoord op de vraag waar de vorst de autoriteit vandaan haalde om de religie van zijn onderdanen te bepalen. De oplossing werd eind van de 16e eeuw gevonden in de leer van het droit divin: de staat kan de vrede slechts bevorderen als hij zich niet langer bij een geloofsovertuiging aansluit maar zich boven de kerken stelt in naam van een eigen religieuze legitimiteit die hij ontleent aan een rechtstreekse band met God.7
Naast de invloed van de absolutistische staatstheorieën op de verhouding tussen recht en religie vindt er gelijktijdig ook een ontwikkeling plaats waarbij het natuurrecht zijn sacrale karakter verliest. Het katholieke natuurrecht, zoals door Thomas van Aquinas verdedigd, veronderstelde dat er in de natuurlijke orde een door God gegeven ideaal van rechtvaardigheid besloten ligt dat door de bestudering van de natuurlijke orde kan worden gekend. De katholieke kerk zag het als haar taak om dit natuurrecht voor de mensheid te ontsluiten. Daarbij ging zij uit van het principe dat het natuurrecht in overeenstemming was met de goddelijke openbaring van de Heilige Schrift, ook wel het openbaringsrecht genoemd. Vanuit dit perspectief was geloof in God en in de aanwezigheid van God in de realiteit volledig rationeel, dat wil zeggen, dat een goddelijke openbaring op dezelfde wijze werd uitgelegd als een wetenschappelijke bevinding. Het vanaf de 16e eeuw opkomende rationele wetenschapsideaal liet daarentegen het principe los dat er een verband bestaat tussen de werkelijkheid en de Heilige Schrift en omhelsde een mechanische kijk op de werkelijkheid waarin de werkelijkheid werd gevat als een gesloten keten van oorzaak en gevolg, van fysisch-causale relaties beheerst door algemeen geldige en onveranderlijke natuurwetten. Vanaf het moment dat de gelding van het natuurrecht wordt losgekoppeld van religieuze openbaringen zien we dat er in de geschiedenis een langzaam voortschrijdende ontwikkeling plaatsvindt waarbij het op niet-religieuze wijze verklaren van de werkelijkheid (maar daarentegen op basis van de ratio of de rede) geassocieerd wordt met neutraliteit, algemene geldigheid en openbaarheid. Er vindt als het ware een stoelendans plaats. De rol van godsdienst in het begrijpen van de werkelijkheid wordt vervangen door het rationele en redelijke ideaal van de wetenschap. Niet langer is godsdienst het algemene geldige en openbare medium waarmee de werkelijkheid kan worden verstaan maar het wetenschapsideaal. Godsdienst krijgt daardoor geleidelijk een privaat, particulier en irrationeel (of onredelijk) karakter.8
Behalve denkers die ten gevolge van het rationele wetenschapsideaal het idee van natuurrecht volledig verwierpen waren er ook denkers die het natuurrecht juist legitimeerden vanuit het wetenschapsideaal. Een dergelijk verlichte denker was Locke. Locke was ervan overtuigd dat zoals natuurwetenschappers natuurverschijnselen op basis van natuurwetten konden verklaren, rechtswetenschappers op basis van eeuwige en universele wetmatigheden van de menselijke natuur de geldigheid van het recht konden verklaren. Een van zijn bevindingen was dat ieder mens van nature beschikt over bepaalde natuurlijke vrijheden. Hieruit maakte hij op dat het geldende recht deze vrijheden moest beschermen. Dit principe vormde de basis voor het opnemen van de mensenrechten in de Amerikaanse en Franse verklaringen en de constituties van verschillende westerse staten.