Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.2.2.b
V.2.2.b De onverplichte benoeming
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380979:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001/110 (Hoffmann). Zie voor de bespreking van de grond voor uitstoting § 111.2.
De rechtbank (zie vorige noot) overwoog in ro. 11 dat met het dividend geen rekening hoefde te worden gehouden, `(...) gelet op de maximale hoogte daarvan enerzijds, en de onzekerheid of al dan niet tot uitkering van dividend wordt overgegaan anderzijds (...)'.
OK 10 april 2003, JOR 2003/144 (Hoffmann). De vader was overigens niet de enige houder van deze prioriteitsaandelen, wel hield hij het meerderheidspakket en had hij zo feitelijk een doorslaggevende stem bij bepaalde belangrijke besluiten. Ten aanzien van de waarde van de aandelen overwoog de OK voorts dat conform vaste rechtspraak de prijs op een pro rata parte basis moest worden bepaald. Het feit dat aan een pakket (feitelijke) zeggenschapsrechten zijn verboden, bracht geen prijsverhogende invloed met zich, aldus de OK in ro. 4.17.
HR 21 januari 2005, NJ 2005, 57; JOR 2005/57 (Hoffmann), zie concl. A-G Timmerman sub 2.32.13. Volgens Timmerman gaat de vergelijking met het verplichte onderzoek in een enquêteprocedure (zie HR 27 september 1999, NJ 1999, 487 (Gucci)) niet op, omdat het verplichte deskundigenbericht in de geschillenregelingprocedure in mindere mate een spilfunctie heeft dan het verplichte onderzoek.
Zie ro. 3.3.2 van het in de vorige noot genoemde arrest.
Maeijer wees op de door Timmerman gehanteerde begrippen 'misbruik', 'zwaarwichtig bezwaar' en een toepassing van een wetsbepaling 'die evident geen redelijke zin heeft'. Annotator Wibaut (JIN 2005/105) achtte het eindresultaat 'juist, en zonder meer praktisch, maar in strijd met de letterlijke tekst van de wet'. Ook Koppert-Van Beek (JutD 2005/10, p. 14-17) ondersteunde het oordeel van de Hoge Raad.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 715.
Rb. Breda 25 juni 2003 en 17 maart 2004, n.g. (Newton 21). De beslissing van de rechtbank blijkt uit ro. 4.2 van het arrest van de OK (zie volgende noot).
OK 12 januari 2006, JOR 2006/70 m.nt. Bulten (Newton 21).
Zie ro. 4.16 van de in de vorige noot genoemde uitspraak. In mijn noot verzette ik mij tegen deze zienswijze op reeds vastgestelde jaarcijfers. Een jaarrekeningprocedure van art. 999 Rv (oud, inmiddels opgenomen in art. 466 e.v.) is op dit punt de aangewezen weg. Ook al is de overweging van de OK niet geheel zuiver, zij is wel praktisch en in overeenstemming met norm van art. 198 Rv dat de deskundige zijn opdracht 'naar beste weten' moet volbrengen. Indien het aan de deskundige zou blijken dat hij bij zijn berekening werkt met onjuiste cijfers, dient hij mijns inziens inderdaad te achterhalen wat de juiste cijfers zijn en hierop de waarde te baseren. Interessant is nog dat de deskundige direct aan de slag mocht, ook was het arrest van de OK nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Volgens de OK (zie ro. 4.17) was van een opschortende voorwaarde voor de aanvang van de werkzaamheden (art. 2:339 lid 1 BW) geen sprake, omdat de uittreding zelf niet werd betwist door de drie gedaagde aandeelhouders. De rechtbank had overigens (contra legem) zijn overdrachtsuitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard (zie ro. 4.2 van het arrest van de OK), maar hier werd in de procedure verder geen aandacht aan geschonken.
In VHC/MMP ging het om de uittreding, de uitstoting kwam in Hoffmann aan de orde.
Interessant is in dit verband de Belgische geschillenregeling. De wet bepaalt slechts dat de rechter de prijs vaststelt en zwijgt over een te benoemen deskundige, zie art. 338/640 (uitstoting) en art. 341/ 643 (uittreding) W.Venn.
In de zaak tussen vader en zoon Hoffmann werd uiteindelijk de Hoge Raad om een oordeel over de al dan niet verplichte deskundigenbenoeming gevraagd.
De zoon kwam werken bij Hoffmann Bedrijfsrecherche, een door zijn vader opgericht bedrijf. Zij waren ieder aandeelhouder en bestuurder in de (beheer-)BV, waarbij de vader een minderheidspakket van de aandelen hield. De verhouding tussen vader en zoon raakte dusdanig verstoord, dat er een patstelling ontstond en de continuïteit van het bedrijf werd bedreigd. Vele procedures, waaronder een enquêteprocedure, waren het gevolg. Uiteindelijk vorderde de zoon ex art. 2:336 lid 1 BW de uitstoting van zijn vader. De uitstotingsvordering werd door de Rechtbank Amsterdam toegewezen.1
De rechtbank stelde dat in beginsel een deskundigenbericht vereist was, maar achtte zulks in casu niet noodzakelijk. De zoon had volgens de rechter gelijk met zijn stelling dat uit de statuten volgde dat aan de aandelen van de vader 'geen hogere economische waarde kan worden toegekend dan de nominale'.2 Bovendien hadden de vader en de zoon bij de oorspronkelijke aandelenverdeling een andere waarde ook niet beoogd, verzetten de redelijkheid en billijkheid zich niet tegen deze waardebepaling en waren de statuten niet voor een andere uitleg vatbaar. Het oordeel luidde dat de vader werd uitgestoten. Hij moest zijn aandelen overdragen aan de zoon tegen betaling van de nominale waarde.
In hoger beroep liet ook de OK de deskundigenbenoeming achterwege. Zij verliet zich eveneens op de statutaire bepalingen inzake de waardering bij overdracht van de door de vader gehouden aandelen. Uit de statutaire zeggenschapsrechten die aan de aandelen waren verbonden en het feit dat deze aandelen geen recht op uitkering van winstreserves gaven, volgde dat de aandelen het karakter van prioriteitsaandelen hadden. De houder van deze aandelen had bij diverse wijzen van verlies van eigendom (vrijwillige overdracht, overgang anders dan door overdracht en bij ontbinding van de vennootschap) ingevolge de statuten slechts recht op vergoeding van de nominale waarde. De uitleg van de statuten was voorbehouden aan de rechter en bracht niet een aanspraak op een hogere vergoeding met zich mee. De OK concludeerde dat een deskundigenbenoeming niet enig redelijk doel zou kunnen dienen, omdat de enige waarde die aan de aandelen kon worden toegekend (maximaal) de nominale waarde was.3
Net als de uitspraak inzake VHC/MMP is het oordeel van de OK uit praktisch oogpunt te begrijpen, maar zij blijft in strijd met de wet. Mogelijk heeft de OK een aanknopingspunt gezocht in art. 2:340 lid 1 BW, waaruit volgt dat het uiteindelijk de rechter is die de prijs vaststelt. Als rechter wist zij toch al wat de prijs moest zijn.
De vader ging in cassatie. Hij stelde dat de deskundigenbenoeming niet achterwege had mogen blijven. A-G Timmerman ging uitgebreid in op de mogelijkheid van de verplichte deskundigenbenoeming af te wijken.
In zijn conclusie schreef de A-G dat de benoeming van de deskundigen in de geschillen-regeling dwingend is voorgeschreven, maar dat het uiteindelijk wel de rechter is die zelfstandig de prijs van de aandelen vaststelt. Laatstgenoemde zal de mening van de deskundige veelal volgen. Hij is echter niet gebonden aan die waardering. Timmerman hechtte waarde aan lid 3 van art. 2:339 BW, waarin de deskundigen worden verwezen naar hetgeen over waardebepaling van niet-vrij overdraagbare aandelen in de statutaire blokkeringsregeling is bepaald. Volgens hem ligt het in de rede dat de rechter dit voorschrift ook zo veel mogelijk volgt. De regel luidt dat men door het in het leven roepen van een geschilsituatie geen kans op een hogere prijs dan de uit de statuten voortvloeiende prijs moet kunnen afdwingen. Het was volgens Timmerman uiteindelijk begrijpelijk dat de rechtbank en de OK de nominale waarde als juiste prijs voor vaders aandelen zagen. Het dwingende art. 2:339 lid 1 BW mocht in dit uitzonderlijke geval buiten beschouwing blijven, nu toepassing ervan voor de waardebepaling evident geen redelijke zin had. Zijn laatste argument ontleende de A-G aan de jurisprudentie over een verzoek om ex art. 202 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten. Dit verzoek moet in beginsel worden gehonoreerd. De rechter komt bij art. 202 Rv niet een discretionaire bevoegdheid toe, maar een zwaarwichtig bezwaar kán toewijzing in de weg staan. Zo is het ook bij de deskundigenbenoeming van de geschillenregeling, aldus Timmerman: 'Het kennelijke bezwaar van de Ondernemingskamer tegen het benoemen van deskundigen inhoudende dat geen andere waarde aan de aandelen kan worden toegekend, nu die waarde uit de statuten volgt, is n.m.m. een zwaarwichtig bezwaar (curs. CB) op grond waarvan zij het deskundigenonderzoek achterwege mocht laten.'4
De Hoge Raad ging een stuk korter door de bocht dan A-G Timmerman. Het college stelde dat de ratio van art. 2:339 lid 1 BW in samenhang met lid 3 meebrengt dat de aandeelhouder bij gedwongen overdracht een prijs ontvangt die zoveel mogelijk overeenstemt met de prijs die hij bij vrijwillige vervreemding zou kunnen bedingen. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
`Een redelijke toepassing van het voorschrift van het eerste lid brengt daarom mee dat de rechter de benoeming van deskundigen achterwege kan laten, indien de blokkeringsregeling een zodanige maatstaf voor de bepaling van de waarde van de aandelen kent, dat aan de hand daarvan de prijs door de rechter zonder meer kan worden vastgesteld.'5
De Hoge Raad kwam vervolgens tot dezelfde conclusie als de lagere instanties. Uit de statuten van de BV volgde dat de vader voor zijn aandelen nimmer een hogere vergoeding kon bedingen dan de nominale waarde. Zijn cassatieberoep werd verworpen en zijn uitstoting was een feit.
De redenering van de Hoge Raad acht ik niet zuiver, nu hij stelt dat een redelijke toepassing van een wettelijke regel meebrengt dat de wettelijke regel niet wordt toegepast. Ook Maeijer vond dat er meer nodig was dan een redelijke wetstoepassing om van een dwingende wetsbepaling af te wijken. Hij wees op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 2 BW en op de mogelijkheid dat vasthouden aan de verplichte benoeming zou leiden tot misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 lid 2 BW). Hij voelde, mijns inziens terecht, meer voor de door de A-G gehanteerde terminologie.6 Ook Van Solinge & Nieuwe Weme achten de praktische benadering van de imperatieve deskundigenbenoeming juist. De toets dient te zijn of toepassing van de bepaling evident geen redelijke zin heeft, vinden zij. Hiermee sluiten zij zich eveneens aan bij de zorgvuldige formulering van Timmerman.7 Ik kom op de meest wenselijke visie terug na de bespreking van de uittredingszaak Newton 21.
De zaak Newton 21 biedt een interessante variatie op dit thema, omdat de prijsberekening bij vrijwillige overdracht van de aandelen was opgenomen in een tussen de aandeelhouders gesloten 'samenwerkingsovereenkomst'.
Minderheidsaandeelhouder Van Meer werd in september 2002 ontslagen als bestuurder van de vennootschap Newton 21 The Netherlands BV ('Newton 21'). Ook zijn dienstverband werd opgezegd. Uit zijn arbeidsovereenkomst vloeide voort dat ontslag de verplichting in het leven riep zijn aandelen aan te bieden aan de andere drie aandeelhouders van Newton 21. Men was het erover eens dat voor de berekening van de prijs de bepaling van een tussen de vier aandeelhouders gesloten samenwerkingsovereenkomst gold. In deze contractueel vastgelegde waarderingsregel zaten twee variabelen waarover minderheidsaandeelhouder Van Meer enerzijds en de drie aandeelhouders anderzijds van mening verschilden. Tot een vrijwillige overdracht van Van Meers aandelen kwam het dus niet en hij stelde de uittredingsvordering van art. 2:343 BW in. De rechtbank Breda wees de uittredingsvordering toe, maar benoemde geen deskundigen.8 Zij paste zelf de prijswaarderingsregel uit de samenwerkingsovereenkomst toe en sloot zich wat de variabelen betrof aan bij de visie van de uittredende Van Meer, omdat dit 'in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid'. De drie andere aandeelhouders gingen in hoger beroep bij de OK.9
De OK stelde dat het verweer van de drie aandeelhouders dat niet de overeengekomen waarderingsmethode gehanteerd mocht worden, inmiddels was gedekt. Een contractuele regel kan dus als uitgangspunt dienen voor de berekening van de prijs van de aandelen bij een gedwongen overdracht. In zoverre wordt art. 2:339 lid 3 BW extensief uitgelegd door de rechter. Ik kan mij hierin vinden. Het is voldoende dat de prijs zonder meer kan worden vastgesteld, ongeacht of de basis de statuten zijn of een aandeelhoudersovereenkomst is.
Vervolgens meende de OK echter dat een rechter niet zelf de prijs kon vaststellen, omdat de aandeelhouders van mening verschilden over de juistheid van de jaarcijfers die deel uitmaakten van contractuele waarderingsformule. De 'invuloefening' van de rechtbank hield dus geen stand. De OK benoemde een deskundige, en gaf hem enkele uitgangspunten voor de waardering mee. Een ervan betrof het gebruik van de contractuele waarderingsformule. De deskundige mocht voor de diverse bedragen en getallen uitgaan van zijn eigen 'vakkundig inzicht'. De OK bedoelde te zeggen dat de reeds vastgestelde jaarcijfers, waarover geruzied werd door de aandeelhouders, niet doorslaggevend waren.10
Voor het achterwege laten van de deskundigenbenoeming acht ik de beschreven benadering van A-G Timmerman het meest zorgvuldig. Er moet sprake zijn van een zwaarwichtig bezwaar dat zich tegen de deskundigenbenoeming verzet. Zo'n bezwaar is aanwezig indien evident is dat toepassing van art. 2:339 lid 1 BW geen zin heeft, omdat de waarde van de aandelen ondubbelzinnig blijkt. De praktische toepassing die leidt tot het achterwege laten van de deskundigenbenoeming geldt zowel bij de uitstoting als de uittreding 11 Volgens mij hoeft de waardering overigens niet te zijn opgenomen in de statutaire blokkeringsregeling. Voldoende is dat de prijs ondubbelzinnig blijkt, of uit statutaire bepalingen of eventueel uit een aandeelhoudersovereenkomst. De aandeelhouders zien deze waarde als de juiste waarde voor hun aandelen, en de rechter kan hierbij aansluiten. Wordt een in de statuten of de overeenkomst opgenomen waarde of waardebepaling door één van de partijen gemotiveerd betwist, dan ligt (alsnog) een deskundigenbenoeming voor de hand. De waarde blijkt dan immers niet ondubbelzinnig.
Op dit punt pleit ik voor anticiperende werking van het wetsvoorstel Flex-BV. Het verplichte karakter van het deskundigenbericht vervalt. In het wetsvoorstel is, behalve de codificatie van de Hoffmann-uitspraak, in lid 3 van het voorgestelde art. 2:339 BW opgenomen dat de rechter de prijs zelf kan bepalen. Dit geldt niet alleen indien uit een statutaire blokkeringsregeling de waarde ondubbelzinnig blijkt. Zie § V.2.5 voor de regels over de deskundigen in het wetsvoorstel Flex-BV.
De deskundigenbenoeming kan derhalve in bepaalde omstandigheden overgeslagen worden. Dit betekent een aanzienlijke versnelling van de procedure. Dit geldt dus niet alleen voor de geschillenregeling in het wetsvoorstel Flex-BV, maar mijns inziens ook reeds voor de procedure naar huidig recht.12