Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.2.1
6.2.1 De relativiteit van wettelijke normen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503651:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Klomp 1998, p. 47. Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 1917, NJ 1917/502 (Raalterweg).
HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum/Cohen). Zie hierover Lankhorst 1992, p. 15 en 20-21.
Van Gelein Vitringa 1919, p. 23 e.v.
HR 25 mei 1928, NJ 1928/1688 m.nt. E.M. Meijers (Onteigende graaf).
Bloembergen 1965, p. 169-170.
Lankhorst 1992, p. 92-93. Zie ook Den Hollander 2016, p. 134 e.v., die een onderscheid maakt tussen beschermingsdoel en beschermingsomvang. Een voorbeeld van de toepassing van de relativiteitsleer in ruime zin in het kader van informatieverstrekking biedt HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9331, JB 2002/111 m.nt. E.C.H.J. van der Linden (Hulter/Staat). Vgl. ook HR 15 mei 1970, NJ 1970/327 m.nt. G.J. Scholten (Grofru II), waarnaar Lankhorst 1992, p. 89-90, verwijst, en HR 23 november 1939, NJ 1940/242 m.nt. E.M. Meijers (Zuiderhaven), waarnaar Bloembergen 1965, p. 170, verwijst.
Lindenbergh 2007, p. 10.
Het Unierecht kent eveneens een relativiteitsvereiste. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 14 maart 2013, C-420/11, ECLI:EU:C:2013:166 (Jutta Leth) en over de samenloop met het nationaalrechtelijke relativiteitsvereiste HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973 (EnergyClaim c.s./Staat).
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 633-634 en 637.
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 m.nt. J. Hijma, AB 2005/127 m.nt. F.J. van Ommeren, r.o. 3.4.1 (Duwbak Linda), waarover uitgebreid Den Hollander 2016. Zie verder HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485 m.nt. M.R. Mok, r.o. 4.2.3 (Pharmacia/Cosmétique), HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077, NJ 2008/527 m.nt. C.C. van Dam onder NJ 2008/529, r.o. 4.2.2 (Vie d’Or) en HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 3.3.2 (Astrazeneca/Menzis).
Historisch en contrair vertrekpunt van beschouwingen over het relativiteitsvereiste is de leer van de absolute onrechtmatigheid. Deze leer komt erop neer dat een onrechtmatige daad tegenover eenieder onrechtmatig is, zodat iedereen die schade heeft geleden als gevolg van die daad, daarvan vergoeding kan verlangen van de dader.1 De Hoge Raad heeft deze leer verlaten in 1928, nadat kort daarvoor het normenapparaat was uitgebreid met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm als zelfstandige onrechtmatigheidscategorie.2 In navolging van zijn raadsheer Van Gelein Vitringa, die al langer pleitte voor de invoering van een relativiteitsleer in het Nederlandse recht,3 heeft de Hoge Raad het relativiteitsvereiste aanvaard in zijn arrest inzake de onteigende graaf De Marchant et d’Ansembourg.4 In de casus van het desbetreffende arrest was gehandeld in strijd met artikel 12 van de Onteigeningswet. Dit artikel heeft volgens de Hoge Raad echter niet de strekking:
‘om den eigenaar te beschermen tegen nadeelen die mochten voortvloeien uit de aanwijzing van zijn goed ter onteigening, doch de bij dat artikel voorgeschreven ter inzagelegging is slechts een van de waarborgen, waarmede de wet de uitoefening van het recht tot onteigening heeft omkleed teneinde den eigenaar te beschermen tegen ongerechtvaardigde ontzetting uit zijn eigendom, wat medebrengt dat de werking van dit voorschrift zich beperkt tot die bescherming, zoodat niet-naleving daarvan geen ander rechtsgevolg kan hebben dan dat nu aan den eigenaar zijn goed niet kan worden ontnomen.’
Artikel 12 van de Onteigeningswet beschermt dus niet tegen alle schade die als gevolg van de niet-naleving van dat artikel kan ontstaan: het beschermingsbereik van de norm is niet onbegrensd. Vanaf dit arrest hebben geschreven normen niet langer absolute waarde. Zij moeten worden gerelativeerd.
In zijn dissertatie heeft Bloembergen laten zien dat de relativering van de onrechtmatige daad twee aspecten kent.5 Allereerst het ‘eigenlijke Schutz-normbeginsel’, dat wordt toegepast wanneer de overtreden norm niet strekt tot bescherming van het geschonden belang. Dit kan zo zijn omdat de norm niet strekt tot bescherming van de getroffen soort belangen, niet strekt tot bescherming van de belangen van de groep van personen waartoe de getroffene behoort of omdat de wijze waarop de schade is geleden niet valt binnen het beschermingsbereik van de geschonden norm. Het tweede aspect betreft de vraag of uit de strekking van de geschonden norm kan worden afgeleid dat het rechtsgevolg ‘onrechtmatige daad’ wacht, en speelt juist op het terrein van de overheidsverplichtingen. Door Lankhorst is het eerste aspect in zijn proefschrift aangeduid als de relativiteitsleer in strikte zin en het tweede als de relativiteitsleer in ruime zin.6 Verder schrijft Lankhorst – mijns inziens met juistheid – dat het beter is om de volgorde van Bloembergen om te draaien. Het tweede (algemene, prealabele) aspect wordt dan beoordeeld voordat het type belangen, het type personen en de wijze van schade-intreding aan bod komen. Lindenbergh spreekt op zijn beurt met betrekking tot de relativiteit in strikte zin van de eisen van persoonlijke, zakelijke en ontstaansrelativiteit. De eerste eis legt een verband tussen de normschending en de persoon van de benadeelde, door centraal te stellen welke personen door de geschonden norm worden beschermd, terwijl de laatste twee eisen een verband leggen tussen de normschending en de schade door te bezien tegen welke schade en welke wijze van ontstaan van de schade de norm beschermt.7
De relativiteitsleer in ruime én strikte zin is gecodificeerd in het Nieuw Burgerlijk Wetboek als het relativiteitsvereiste van artikel 6:162 lid 1 BW en artikel 6:163 BW.8 Uit het eerstgenoemde artikellid volgt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade te vergoeden die de ander dientengevolge lijdt. Artikel 6:163 BW bevat een uitzondering op deze regel, en wel wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. In deze zinsnede herkent men de indeling van Bloembergen, zoals omgedraaid door Lankhorst. Vanuit de algemene strekkingsvraag (relativiteit in ruime zin) moet op grond van artikel 6:163 BW worden bezien of het type belangen (‘de schade’), het type personen (‘de benadeelde’) en de wijze van schade-intreding (‘zoals’) de toewijzing van een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad kunnen dragen.9 Deze elementen van artikel 6:163 BW keren sinds 2004 ook met zoveel woorden terug in de rechtspraak van de Hoge Raad. Sinds het arrest inzake de gekapseisde duwbak Linda is bestendige rechtspraak dat het bij:
‘de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, [aankomt] op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.’10
Deze mantra is, zoals reeds blijkt uit de verdere overwegingen in het arrest Duwbak Linda, niet slechts van toepassing bij de schending van wettelijke normen, maar ook bij gedragingen die indruisen tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.