Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.1:8.1 Inleiding
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186732:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. MvT, Kortmann & Faber 1995, p. 288.
Zie ook par. 1.2 en 7.1.
Zie par. 1.2, HR 30 januari 1959, NJ 1959/548 (Quint/Te Poel), HR 2 oktober 1998, NJ 1999/467 (Alsag AG/Curatoren Femis), r.o. 3.4 en Polak/Polak 1972, p. 179.
Zie over de erkenning van achtergestelde vorderingen par. 7.3.
Zie nader par. 8.2.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
504. Een faillissement vindt plaats ten behoeve van alle schuldeisers met een verifieerbare vordering. Zij ontvangen de lusten en dragen de lasten van de afwikkeling. Daarom kent de Faillissementswet aan schuldeisers een aantal rechten toe waarmee zij invloed kunnen uitoefenen op het verloop van het faillissement.1 Daaronder vallen het recht om een verzoek te doen aan de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Fw, de spreek- en stemrechten tijdens schuldeisersvergaderingen, de adviesrechten van een schuldeiserscommissie en het stemrecht over een faillissementsakkoord.2 Ik noem dergelijke rechten ‘inspraakrechten’. Dit hoofdstuk behandelt de vraag welke invloed een achterstelling heeft op de inspraakrechten van een achtergestelde schuldeiser.
Omdat de Faillissementswet geen rekening houdt met achtergestelde vorderingen bevat die ook geen specifieke regeling voor de inspraakrechten van achtergestelde schuldeisers.3 Op basis van het bestaande wettelijke systeem en het karakter van de achterstelling kan wel worden bepaald welke inspraakrechten achtergestelde schuldeisers hebben en hoe die moeten worden ingepast.4
505. De Faillissementswet kent de meeste inspraakrechten toe aan alle schuldeisers met een verifieerbare vordering, ongeacht de rang of aard van hun vordering.5 Daarom is voor de toekenning van inspraakrechten aan een achtergestelde schuldeiser in beginsel voldoende dat hij kan worden erkend als een schuldeiser in het faillissement.6
De toekenning van inspraakrechten zonder nader onderscheid tussen de rang of de aard van de vorderingen kan perverse prikkels scheppen. Schuldeisers dreigen daardoor inspraak te krijgen bij beslissingen waarvan zij wel de lusten ontvangen maar waarvan zij niet de lasten dragen.7 Dat prikkelt hen om met die inspraakrechten te pleiten voor het nemen van onredelijke risico’s. Dit probleem doet zich voor bij alle inspraakrechten. Daarom wordt hierna eerst in meer algemene termen de rol van een achtergestelde schuldeiser en de verhouding tussen inspraakrechten en achterstelling geschetst. Vervolgens wordt voor verschillende inspraakrechten afzonderlijk uiteengezet op welke wijze een achterstelling daarop inwerkt. Daarbij is achtereenvolgens aandacht voor verzoeken op grond van artikel 69 Fw, de schuldeisersvergaderingen, de schuldeiserscommissie, het faillissementsakkoord en het pre-insolventieakkoord.