Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.1.3.1
3.1.3.1 Gedifferentieerde toegang
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381836:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 6-7. Zie verder § 3.1.2.5.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 27.
Kamerstukken II, 2011-2012, 32 887, nr. 7 (NvW), p. 3.
Zie hierover Josephus Jitta (2011), wat een commentaar bevat op het wetsvoorstel dat nog geen rekening hield met verhandelingen buiten Nederland. Dit is door het Gewijzigd voorstel van wet hersteld (Kamerstukken I, 2011-2012, 32 887, A; zie daarbij de nota van wijzigingKamerstukken II 2011-2012, 32 887, nr. 7, p. 3).
Polderman (2010), p. 2.
Kamerstukken II 2011-2012, 32 887, nr. 6 (NnavV), p. 13.
Sinds 1 januari 2013 is voor de toegang tot het enquêterecht van de kapitaalverschaffers bij de NV en BV onderscheid gemaakt tussen twee soorten vennootschappen.
Voor kapitaalverschaffers bij vennootschappen met een geplaatst kapitaal van minder of gelijk aan € 22,5 miljoen nominale waarde geldt de drempel 10% van geplaatste kapitaal of een belang van € 225.000 nominale waarde (art. 2:346 lid 1 sub b BW). Deze drempels gelden ongeacht of er sprake is van een beursvennootschap of niet-beursvennootschap.
Voor kapitaalverschaffers bij vennootschappen met een geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoen nominale waarde geldt de drempel 1% van het geplaatste kapitaal of, indien het een beursgenoteerde vennootschap betreft, een belang met een beurswaarde van € 20 miljoen (art. 2:346 lid 1 sub c BW). De 1%-drempel geldt dus voor alle beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde grote vennootschappen.
De enquêtebevoegdheid van aandeelhouders is aldus gedifferentieerd naar gelang de grootte van de nominale waarde van het geplaatste kapitaal. Met dit onderscheid wil de wetgever bewerkstelligen dat de omvang van het belang van de aandeelhouders en certificaathouders in ‘grote’ vennootschappen in een redelijke verhouding staat tot de omvang van de vennootschap.1 De 1%-drempel komt bij een vennootschap met een geplaatst kapitaal van € 22,5 miljoen nominale waarde overeen met de grens van € 225.000 in art. 2:346 lid 1 sub b BW. Heeft de vennootschap een groter geplaatst kapitaal, dan ligt de grens hoger dan dat bedrag. Indien die 1%-drempel niet wordt gehaald dan geldt als alternatief de drempel van € 20 miljoen beurswaarde, maar vanzelfsprekend alleen voor aandelen die beursgenoteerd zijn.2
Om uit te drukken dat het in art. 2:346 lid 1 sub c BW gaat om een beursgenoteerde vennootschap verwijst de wet naar het begrip ‘gereglementeerde markt’ en ‘multilaterale handelsfaciliteit’ als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht. De toevoeging ‘met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is’ is opgenomen om rekening te houden met verhandelingen buiten Nederland.3 Het absolute minimumvereiste van € 20 miljoen beurswaarde geldt dus ook indien de aandelen alleen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit buiten Nederland, of tot de handel op een met deze markten vergelijkbare markt buiten Nederland.4 Aandelen van NV’s die bijvoorbeeld op de New York Stock Exchange zijn genoteerd, vallen derhalve tevens onder het toepassingsbereik van het enquêterecht.5
De vennootschap mag in haar statuten overigens neerwaarts afwijken van de in art. 2:346 lid 1 sub b en c BW genoemde kapitaalseisen. Het is dus niet toegestaan om de toegang tot het enquêterecht te beperken door in de statuten een hogere grens op te nemen dan de wettelijke grenzen.6