Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.1.1
14.1.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301695:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het startpunt voor veel beschouwingen over afhankelijkheid is Medicus 1971, die een vijftal werkingen van afhankelijkheid onderscheidt (overigens zonder te vermelden dat deze werkingen reeds voorafgaand aan de totstandkoming van het BGB in de Duitse pandektistiek werden geïdentificeerd; zie bijvoorbeeld Dernburg 1860, p. 516 e.v., 547 v., 560 v., 574 v.; Windscheid 1882, p. 799 die dezelfde vijf werkingen noemen). Zie voor een recente bespreking van afhankelijkheid aan de hand van deze werkingen Swinnen 2014.
Out 2005, p. 15-17. Andere werkingen hebben enkel betrekking op de rechten uit borgtocht; zie Asser/van Schaick 2018, para. 87. Deze werkingen kunnen echter evengoed worden verklaard uit het karakter van de overeenkomst van borgtocht zelf; zie Bergervoet 2014, para. 79.
Booms 2017, p. 124.
Out 2014, p. 370 merkt op dat deze werkingen doorgaans op gelijke voet worden behandeld. Weinig onderscheid wordt bijvoorbeeld gemaakt door Fesevur 2005, p. 28; Struycken 2007, p. 70; Blomkwist 2012, para. 8, p. 23; Steneker 2012, para. 6, p.12; Huijgen 2014, para. 3, p. 5; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 47. Ook lijkt het mij onjuist om – bijvoorbeeld – te stellen dat het niet nodig is om art. 3:82 BW strikt toe te passen, omdat art. 3:7 BW eveneens niet strikt wordt toegepast; zie bijvoorbeeld Kortmann, Rongen & Verhagen 2001, p. 842; Snijders 2002, p. 34.
Zie Raaijmakers 2001, p. 696; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 27; Swinnen 2014, p. 23 e.v.; Booms 2017, p. 216.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 27; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 8; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 47. Een juistere terminologie ten aanzien van het recht uit borgtocht is “het recht uit de principale verbintenis uit de overeenkomst van borgtocht”; zie Asser/van Schaick 2018, para. 86. Voor het leesgemak kort ik dit af tot ‘het recht uit borgtocht’.
Ik beperk me bij het opsommen van afhankelijke rechten tot de rechten die onder het huidige BW nog in het leven kunnen worden geroepen. Zie voor de afhankelijkheid van enkele oude zakelijke rechten Ketelaar 1978, p. 157, 170; Jansen 2018. Ook ga ik niet uitgebreid in op de afhankelijkheid van de eigendom tot zekerheid; zie daarover het arrest HR 18 februari 1994, NJ 1994/462 (Nijverdal ten Cate/Wilderink q.q.). Zie over dat laatste ook randnummer 574.
Chao-Duivis 1989; Raaijmakers 2001.
Bartman 2004, p. 51; Verdaas 2008, p. 305.
Afhankelijk van de vordering waarvan betaling door de bankgarantie wordt verzekerd; zie in deze zin bijvoorbeeld Bertrams 2013, p. 277.
Mijnssen & van Mierlo 2018, para. 1.15, p. 39 en para. 2.11, p. 76.
Van Velten 2018, para. 12.5; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 8; Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 248. De vraag kan gesteld worden of het hier daadwerkelijke eigendom betreft; zie Heyman 2005, p. 28; Hoofs 2013, p. 102, 108.
Afhankelijk van het eigendomsrecht van de grond waarop het huis staat; zie in deze zin Wichers 2002, p. 65; Wolfert 2003, p. 284; de Jong 2006, p. 117-118.
Afhankelijk van het aandeel in de appartementensplitsing; zie in deze zin Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 344.
546. Eén van de manieren waarop in het Nederlandse recht twee subjectieve rechten aan elkaar worden verbonden, is met het leerstuk van afhankelijkheid. De terminologie daarbij is dat het ene subjectieve recht een ‘afhankelijk recht’ is van het andere subjectieve recht, dat het ‘hoofdrecht’ wordt genoemd (zie paragraaf 1.5.3). Afhankelijke rechten worden niet zelfstandig overgedragen, maar volgen steeds het hoofdrecht waar ze aan verbonden zijn. De wettelijke regeling voor afhankelijke rechten is te vinden in de artikelen 3:7 en 3:82 BW. Art. 3:7 BW bepaalt: “Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.” Art. 3:82 BW vervolgt: “Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn.”
547. In de buitenlandse, vooral Duitse literatuur, wordt het leerstuk van afhankelijkheid gesplitst in een aantal ‘werkingen’.1 Voor het Nederlandse recht zijn drie van deze werkingen relevant.2 Het betreft het niet kunnen ontstaan van een afhankelijk recht zonder hoofdrecht (ook wel: ontstaansafhankelijkheid, art. 3:7 BW), het tenietgaan van een afhankelijk recht zonder hoofdrecht (tenietgaansafhankelijkheid, art. 3:7 BW) en het toebehoren van het afhankelijke recht aan degene aan wie ook het hoofdrecht toebehoort (toebehorensafhankelijkheid, art. 3:82 BW).3 Soms wordt wel de indruk gewekt dat deze drie werkingen alle drie het gevolg zijn van de kwalificatie ‘afhankelijk’.4 Dat is volgens mij echter niet het geval. Er moet worden onderscheiden tussen de automatische overgang van afhankelijke rechten wanneer het hoofdrecht overgaat enerzijds en het niet kunnen ontstaan of voortbestaan van een afhankelijk recht zonder hoofdrecht anderzijds (zie ook paragraaf 7.5.4). Dit onderscheid is in de literatuur eerder gemaakt, zij het om andere redenen dan dat ik in dit onderzoek doe.5 Wat mij betreft is de automatische overgang van het afhankelijke recht het enige gevolg van de kwalificatie als afhankelijk recht (zie paragraaf 7.5.4.2). Het niet kunnen ontstaan of voortbestaan zonder hoofdrecht zijn vereisten om als afhankelijk recht aangemerkt te kunnen worden (zie paragraaf 7.5.4.3). In hun onderlinge verhouding geeft art. 3:82 BW dus de gevolgen aan van de kwalificatie als afhankelijk recht, terwijl art. 3:7 BW bedoeld is om te bepalen welke rechten deze kwalificatie krijgen.
548. De bovenbeschreven samenhang tussen art. 3:7 BW en art. 3:82 BW wordt enigszins bemoeilijkt doordat art. 3:7 BW onvoldoende duidelijkheid schept over de vraag welke rechten als afhankelijk aangemerkt moeten worden (zie meer uitgebreid randnummer 571).6 In de literatuur bestaat in ieder geval overeenstemming over het afhankelijke karakter van het pandrecht, het hypotheekrecht, het recht uit borgtocht, het recht van erfdienstbaarheid, het aandeel in een mandelige zaak en het afhankelijke opstalrecht.7 Al deze subjectieve rechten volgen het hoofdrecht waaraan zij zijn verbonden (zie meer uitgebreid randnummer 596). Van andere subjectieve rechten die in meerdere of mindere mate met een subjectief recht samenhangen, bestaat minder overeenstemming over de vraag of ze daarmee ook afhankelijk zijn.8 Zo zijn er wel pleidooien geweest voor het aanmerken als afhankelijk van het retentierecht,9 rechten uit eigendomsvoorbehoud, Schoordijk 1986, p. 14, 244. rechten uit een 403-verklaring,10 rechten uit bankgarantie,11 het verhaalsbeslag,12 het eigendomsrecht van de opstalgerechtigde,13 het eigendomsrecht van een huis14 en enkele van de rechten die samenhangen met het appartementsrecht.15 Deze pleidooien hebben (nog) niet geleid tot algemene acceptatie. Ik bespreek, verspreid over dit hoofdstuk, de argumenten waarom deze rechten wel of niet afhankelijk zouden zijn. In deel III bied ik een overzicht om te bepalen op welke manieren en onder welke voorwaarden subjectieve rechten kunnen worden aangevuld; daar geef ik ook de hierboven genoemde rechten een plaats (zie meer uitgebreid hoofdstuk 20).