Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.1.1.c.ii
5.1.1.c.ii Europese regelgeving: de Rome II-Verordening
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465266:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007, betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (PbEU 2007, L 199/40), ook wel de 'Rome '[- Verordening' genoemd (zie ook Schaafsma 2008, p. 998 e.v.). In de jaren zeventig was eerder een poging tot unificatie van het conflictenrecht inzake niet-contractuele verbintenissen gedaan. In het kader van het streven in die tijd om het Europese IPR te unificeren werd onder auspiciën van de Europese Commissie een `Voorontwerp van een Verdrag nopens de wetten die van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomsten en op niet-contractuele verbintenissen' opgesteld (zie WPNR 1974, p. 417-444; European PIL of Obligations 1975). Dit voorontwerp bevatte geen specifieke conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht — men ging geheel aan het intellectuele-eigendomsrecht voorbij (zie evenwel Von Overbeck & Volken, p. 172, die opmerken: 'Pour la propriété intellectuelle (...), il existe déjà un système de protection basé sur les conventions multilatérales. Si ces questions étaient englobées par la version définitive de la Convention CEE, des conflits de convention ne manqueraient pas de se produire.'). Waarschijnlijk beschouwde men het intellectuele-eigendomsrecht als een geheel ander rechtsgebied. Ulmer werd gevraagd daarover een rapport te schrijven. Dat heeft hij gedaan (Ulmer 1975; Ulmer 1981), waarbij hij tevens een regeling voorstelde. Uiteindelijk is alleen een regeling voor contractuele verbintenissen van de grond gekomen: het EVO-Verdrag (het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome 19 juni 1980, Trb. 1980, 156), welk verdrag zal worden vervangen door Verordening (EG) nr. 593/2008(PbEU 2008, L 177/6; de 'Rome I-Verordening').
In de verordening wordt onder intellectuele-eigendomsrechten bijvoorbeeld verstaan het auteursrecht, de naburige rechten, het databankenrecht en de industriële-eigendomsrechten (zie overweging 26). In deze paragraaf wordt art. 8 lid 1 besproken; lid 2 komt ter sprake in par. 5.3.3 onder (b)(ii).
COM/2003/0427 def. (toelichting bij art. 8). Zie ook Hamburg Group 2003, p. 21-24, toelichting op art. 6a van het voorstel van de zogeheten 'Hamburg Group', waardoor de Europese Commissie zich naar verluidt heeft laten inspireren (zie Drexl 2005, p. 157).
Overweging 26: 'Ten aanzien van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten dient het algemeen erkende beginsel lex loci protectionis te worden gehandhaafd.' In een ander verband heeft de Europese Commissie opgemerkt dat de lex loci protectionis-verwijzing in art. 5 lid 2 van de Berner Conventie wordt bevestigd: 'Van oudsher is de wetgeving van de plaats van exploitatie van toepassing op de exploitatie van een recht. Dit beginsel wordt bevestigd in art. 5, lid 2, van de Berner Conventie en erkend door de nationale rechtsstelsels' Par. 1.2.1 van COM/2004/0261 def. (Mededeling over het beheer van auteursrechten en naburige rechten in de interne markt).
Opgemerkt zij dat, gelet op zijn gebondenheid aan de TRIPs-Overeenkomst, de Europese wetgever (minstgenomen in volkenrechtelijk opzicht) is gebonden aan de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs, zie Drexl 2006, p. 840, nr. 66, en noot 22 van de Inleiding.
Rechtskeuze is uitdrukkelijk uitgesloten (art. 8 lid 3), en de uitzonderingen in art. 4 zijn niet van toepassing. In art. 13 wordt de lex loci protectionis-verwijzing óók voorgeschreven in het kader van ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming en precontractuele aansprakelijkheid. Een verbintenis die is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking die ontstaat in het kader van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt dus bijvoorbeeld, net als de inbreuk zelf, beheerst door de lex loci protectionis. Verder is renvoi uitgesloten, het is dus een `Sachnormverweisung' (art. 24). De uitsluiting van de rechtskeuze is overigens niet zonder slag of stoot gegaan: de rapportrice van het Europees Parlement insisteerde tot tweemaal toe op invoering van een rechtskeuzemogelijkheid (eerste lezing: A6-0211/2005, p. 19 en 41; tweede lezing: A6-0481/2006, p. 16).
Anders Kur 2005 (Alternative proposal), p. 961 die meent dat 'Article 8 is confined to infringements, i.e. it has no direct bearing upon matters like existence and validity, let alone initial ownership of the right.'
De subject-vraag kan m.i. ook niet worden geschaard onder art. 15 onder f: zie COM/2003/0427 def., p. 27. Zie ook Obergfell 2005, p. 12-13.
Zie ook Van Eechoud 2005 (Overleefde territorialiteit), p. 50, die echter óók het bestaan en de omvang van de bescherming niet bestreken acht. Aan het andere einde van het spectrum zitten Basedow & Metzger 2004, p. 162 (van de Hamburg Group), die art. 15 zeer ruim uitleggen en menen dat alle aspecten van de bescherming worden besteken. Er zijn daarnaast wel andere argumenten denkbaar om art. 8 lid 1 van toepassing te achten op alle aspecten van de bescherming. Bijvoorbeeld: de Europese wetgever heeft niet voor de lex loci delicti gekozen (welke wet alleen op de inbreuk betrekking heeft), maar voor de lex loci protectionis (zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis, de considerans, en art. 8 lid 1 dat spreekt over 'het land waarvoor de bescherming wordt gevraagd') — en de lex loci protectionis heeft betrekking op alle aspecten van de bescherming. Vgl. ook de bepaling die de Hamburg Group voorstelde en waardoor de Europese Commissie zich naar verluidt heeft laten inspireren (zie noot 149 van dit hoofdstuk 5). Deze bepaling sprak eveneens alleen over de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, maar uit de toelichting blijkt dat men méér voor ogen had ('Ownership and infringement are a matter for legislation in the country where protection is claimed.'). Maar de Europese wetgever zwijgt over dit alles in zijn eigen toelichting. Deze argumenten moeten het m.i. daarom toch afleggen tegen de tekst van art. 8 lid 1, die duidelijk spreekt over (niet meer dan) 'de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht'.
Dit komt nog ter sprake in par. 5.3.3 onder (b)(i).
Vgl. ook Drexl 2006, p. 857, nr. 110.
Alle landen die behoren tot de Europese Gemeenschap en/of tot de Europese Economische Ruimte, zijn (verplicht) aangesloten bij de Berner Conventie in haar Parijse versie van 1971 en het Verdrag van Parijs in zijn Stockholmse versie van 1967. Zie art. 300 lid 7 EG jo. art. 5 lid 1 onder a en b van Protocol 28 bij het EER-Verdrag (PbEG 1994, L 1/194). Vgl. ook HvJ EG 19 maart 2002, nr. C-13/00, Jur. 2002, p. 1-2943; NJ 2002, 477 (Commissie/Ierland).
In dit verband is niet relevant of deze verdragen worden genoemd in de lijst van art. 29 Rome II-Verordening. Deze lijst is immers louter bedoeld om de toegankelijkheid te verbeteren (overweging 36), niet om het bereik van art. 28 te defmiëren.
Art. 28 lid 2 van de verordening mist toepassing omdat de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs niet uitsluitend tussen de Europese lidstaten gesloten overeenkomsten zijn.
Zie ook Kreuzer 2004, p. 42; Drexl 2006, p. 857, nr. 109; Azzi 2007, p. 776.
Dus bijvoorbeeld wanneer het gaat om een inbreuk in één van de schaarse landen op aarde die niet is gebonden aan de Berner Conventie of het Verdrag van Parijs, zoals Afghanistan; of wanneer het gaat om de bescherming van een in Afghanistan ontsprongen werk van een Afghaanse auteur; of wanneer het gaat om één van de schaarse intellectuele-eigendomsrechten die niet wordt bestreken door de Berner Conventie of het Verdrag van Parijs (een en ander daargelaten andere internationale overeenkomsten die terzake een conflictregel bevatten).
De verordening is óók van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland; niet in Denemarken (overwegingen 40 resp. 39). Zwitserland (zie alinea 450 hiervoor over de Zwitserse rechtskeuzemogelijkheid) is geen lid van de Europese Unie. Overigens is niet gezegd dat art. 8 onveranderlijk is. De verordening zal te zijner tijd worden herzien en mogelijk worden aangepast (art. 30). Denkbaar is dus dat zij zo wordt aangepast dat zij meer in de pas komt te lopen met de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs (bijvoorbeeld door schrapping van art. 8 wegens overbodigheid, of anders door uitbreiding van de reikwijdte van de lex loci protectionis); maar denkbaar is ook dat verder wordt afgeweken van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van de verdragen, bijvoorbeeld door invoering van een rechtskeuzemogelijkheid (vgl. alinea 456 van dit hoofdstuk 5).
De Hamburg Group lijkt verduidelijking te hebben gewenst: 'The Paris Union Convention for industrial property of 1883 is founded on the principle of national rights having a territorial scope. (...) The conventions do not state the principle of territoriality in explicit words.' — daarom biedt de samenloopbepaling van (thans) art. 28 Rome II-Verordering volgens de Hamburg Group niet voldoende houvast (idem ten aanzien van de Berner Conventie), zie Hamburg Group 2003, p. 21-24.
453. Rome II-Verordening. Recentelijk is op Europees niveau een conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht gecodificeerd, namelijk in de zogenoemde `Rome II-Verordening' betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, welke verordening op 11 januari 2009 in werking treedt.1
Deze conflictregel is opgenomen in hoofdstuk II (Onrechtmatige daad) van de verordening, en luidt als volgt:
"Artikel 8 - Inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten
(1) De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevorderd.
(2) De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een unitair communautair intellectuele-eigendomsrecht, wordt, voor alle aangelegenheden die niet door het desbetreffende communautaire instrument zijn geregeld, beheerst door het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd.
(3) Van het recht dat krachtens dit artikel van toepassing is, kan niet bij overeenkomst op grond van artikel 14 worden afgeweken."2
454. De Europese wetgever heeft zich in de totstandkomingsgeschiedenis van de Rome II-Verordening niet duidelijk uitgelaten over de vraag of de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs zijns inziens een conflictregel bevatten.3 De vraag of het beginsel van nationale behandeling in deze verdragen een conflictregel bevat, heeft hij al helemaal onbeantwoord gelaten. Wel heeft hij verklaard "het algemeen erkende beginsel" van de lex loci protectionis te willen handhaven ten aanzien van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten.4
455. Conformiteit met verdragen. Heeft hij met artikel 8 ook de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling gehandhaafd? Ten dele.5
456. Wat het aangewezen recht betreft wijkt artikel 8, net als de zojuist besproken nationale lex loci protectionis-verwijzingsregels, af van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling: formele territorialiteit ontbreekt. Wat de exclusiviteit van de conflictregel betreft, bestaat daarentegen wel overeenstemming met de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling: uitzonderingen worden immers niet gemaakt — integendeel, zij worden uitgesloten.6
457. Maar wat de reikwijdte van de conflictregel betreft, verschilt artikel 8 lid 1 van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling: artikel 8 heeft alleen betrekking op "de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht." Op welke aspecten van de bescherming is de lex loci protectionis van artikel 8 dan van toepassing? Artikel 15 verklaart het aangewezen recht onder meer van toepassing op "de grond en de omvang van de aansprakelijkheid" (onder a), "de gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid" (onder b) en "de maatregelen die de rechter, binnen de grenzen van zijn procesrechtelijke bevoegdheid, kan treffen om letsel of schade te voorkomen, te beperken of te laten vergoeden" (onder d). Daarmee lijken de inhoud van de bescherming (ontstaan, omvang en einde van de rechten) alsmede de handhaving van de bescherming (de 'rechtsmiddelen' en de sancties) te worden besteken.7 Maar belangrijke andere aspecten van de bescherming, zoals de objectvraag en de subject-vraag, kan men daar niet onder schuiven.8 Zij worden dus niet bestreken door de lex loci protectionis van artikel 8.9 Mogelijk heeft de Europese wetgever de lex loci delicti (inbreuk) en de lex loci protectionis (bescherming) niet duidelijk onderscheiden.10 Hier laat de Verordening ongelukkigerwijs dus ruimte voor redeneringen waarbij in strijd met de Berner Conventie en/of het Verdrag van Parijs op andere aspecten van de bescherming een ander rechtsstelsel wordt toegepast — voor dépegage dus.11
458. Verhouding met verdragen. Dat brengt ons bij de vraag hoe artikel 8 van de Rome II-Verordening zich verhoudt tot de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs, bij welke verdragen de EG- en EER-landen op grond van Europese regelgeving verplicht zijn aangesloten.12 De verordening geeft het antwoord zelf: zij wijkt voor de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs.13 Ingevolge artikel 28 lid 1 laat de verordening immers onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen — en aan die beide eisen voldoen de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs.14 Deze verdragen prevaleren óók tussen de Europese lidstaten.15 Ergo: de bepaling van artikel 8 is praktisch gesproken overbodig.16 Zij komt alleen in beeld in het zeer kleine speelveld buiten het toepassingsgebied van de wereldwijde Berner Conventie en het wereldwijde Verdrag van Parijs.17
459. Nut. Ligt daar dan de enige betekenis van artikel 8 lid 1? Neen. Zijn verdienste is met name dat de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling in een aantal opzichten beter zal worden nageleefd — althans in Europa.18 Want ook degenen in Europa die de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling in de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs miskennen, zullen nu meer in lijn met deze conflictregel moeten komen: uitzonderingen, zoals algemene-exceptieclausules en rechtskeuzemogelijkheden, zullen verdwijnen, en dat geldt ook voor de lex originis-verwijzingen in de Portugese, Griekse en Roemeense wet.
460. Onduidelijkheden. Dat neemt niet weg dat artikel 8 lid 1 ook verwarring zaait.
461. Zo is er in de eerste plaats de vraag of de Europese wetgever nu wel of niet van mening is dat de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs (c.q. hun beginsel van nationale behandeling) een conflictregel bevat. Heeft de Europese wetgever gemeend dat deze verdragen géén conflictregel bevatten, en heeft hij dáárom een conflictregel vastgelegd? — immers: wie maakt er nu een overbodige regeling? Of heeft hij onderkend dat deze verdragen c.q. hun beginsel van nationale behandeling wél een conflictregel bevatten, en heeft hij deze conflictregel, gelet op alle controverse, juist willen bevestigen of verduidelijken? — maar waarom heeft hij dat dan niet duidelijker uitgesproken?19 En waarom heeft hij dat alleen bevestigd voor de inbreuk, en niet voor haar volledige reikwijdte? Ziet hij dan slechts een beperkte conflictregel in de verdragen?
462. Dat brengt ons bij een tweede punt waar verwarring is ontstaan: welk recht is van toepassing op de niet geregelde aspecten van de bescherming, zoals de subject-vraag? Is artikel 8 lid 1 op deze andere aspecten inderdaad niet van toepassing? Vindt de Europese wetgever dan — als hij zou hebben gemeend dat de verdragen géén of slechts een beperkte conflictregel bevatten — dat de lidstaten vrij zijn om op deze andere aspecten een andere conflictregel toe te passen, zoals in de Belgische en de Bulgaarse IPR-wet gebeurt?
463. Conclusie Rome H. Zo heeft ook de Rome II-Verordening, alle goede bedoelingen ten spijt, bijgedragen aan de verwarring die op het snijvlak van het conflictenrecht en het intellectuele-eigendomsrecht al zo rijkelijk aanwezig is.