Zaaksvervanging
Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.2.3:3.2.3 Subrogatieleer
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.2.3
3.2.3 Subrogatieleer
Documentgegevens:
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624448:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In 1954 verscheen zijn dissertatie Subrogation réelle, die door Hammerstein uitgebreid is behandeld (1977, p. 34-47).
Zie ook Sagaert 2003, p. 667.
Zie Hammerstein 1977, p. 35. Zie ook p. 66 e.v.
Zie Hammerstein 1977, p. 34.
Zie Hammerstein 1977, p. 37 en 46.
Zie Hammerstein 1977, p. 36 en 47.
Lauriol, volgens Hammerstein 1977, p. 38.
Zie Hammerstein 1977, p. 38.
Zie Hammerstein 1977, p. 44.
Zie ook par. 1.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
70.
Lauriol introduceerde een benadering van zaaksvervanging die aansluit bij subrogatie.1 Hij nam de eenvoudige voorstelling van een vervanging als uitgangspunt. Vervangen wil zeggen dat er iets verandert en dat er iets hetzelfde blijft. Bij (persoonlijke) subrogatie blijft de vordering in stand, maar verandert de crediteur en bij zaaksvervanging blijft het recht in stand, maar verandert het object.2 Persoonlijke en zakelijke subrogatie zijn daarbij twee varianten van dezelfde algemene rechtsfiguur subrogatie. De constanten bij zaaksvervanging zijn de rechtsverhouding en de ontstaansbron van de aanspraak. Het object van de rechtsverhouding is flexibel, waarbij de verandering verloopt via twee stadia, namelijk het verdwijnen van het ene object en het in de plaats komen van het andere.3
Lauriol benadrukte volgens Hammerstein dat zaaksvervanging een juridische techniek is en dat het technische aspect moet worden ondescheiden van het doel dat met zaaksvervanging wordt nagestreefd.4 Het waardebegip dat reeds bij de waardebestemmingstheorie aan de orde is geweest, speelt een rol bij de afbakening van het toepassingsgebied van zaaksvervanging. Zaaksvervanging is in de visie van Lauriol uitsluitend zinvol, als het belang van een recht gelegen is in de waarde van de goederen waarop het recht betrekking heeft en niet in de specifieke gebruikseigenschappen of andere eigenschappen van het goed. Hij verdedigde vervolgens de stelling dat in sommige gevallen uit de rechtsverhouding en de aard van het recht kan worden afgeleid, dat het recht niet is gevestigd op een bepaald geïndividualiseerd goed, maar op de waarde van het goed. In die gevallen kan zaaksvervanging zuiver op grond van de 'destination en valeur' worden toegepast. Per recht moet worden bekeken of dit zich leent voor het op deze wijze losmaken van het materiële object. Indien dit niet mogelijk is, is zaaksvervanging uitgesloten. In verreweg de meeste gevallen moet worden aangenomen dat een recht op een bepaald voorwerp is gevestigd en derhalve vervanging niet van rechtswege kan worden aanvaard.5
In gevallen waarin men de waarde een constante kan noemen, is zaaksvervanging in beginsel wel toepasbaar. Dit wil echter niet zeggen dat de regels omtrent de vestiging van rechten op bepaalde goederen opzij kunnen worden gezet. De wenselijkheid van zaaksvervanging kan niet gelijk worden gesteld aan de technische mogelijkheid daartoe, sterker nog, zaaksvervanging is volgens Lauriol ondergeschikt aan de juridische techniek.6 Reële subrogatie is 'essentiellement incompatible avec les causes d'extinction objectives du droit'.7 Het gehele probleem komt voort uit de verbinding die wordt gelegd tussen een recht en een bepaald object en de inbreuk die zaaksvervanging op dit verband maakt. Als oplossing voor dit probleem opperde hij de objectieve conceptie, de visie waarin het object van het recht een sleutelfunctie heeft, los te laten. Om zaaksvervanging te kunnen zien als een vorm van subrogatie, moest volgens Lauriol worden geaccepteerd dat een recht onder bepaalde omstandigheden niet wordt geïndividualiseerd door het goed, maar door 'subjectieve factoren', namelijk de rechthebbende en de ontstaansbron. Van de drie factoren die een recht bepalen, object, subject en ontstaansbron, bepaalt gewoonlijk de eerste factor de identiteit van een recht, bij zaaksvervanging gebeurt dit echter door de laatste twee.8 Het gaat daarbij om het behoud van een recht en niet om het vestigen van een nieuw recht.9
De benadering van zaaksvervanging als een toepassingsvorm van een algemenere figuur subrogatie verheldert de situatie naar mijn mening niet. Subrogatie is in het Nederlandse recht nauwelijks los van de persoonlijke variant ontwikkeld, die volledig geworteld is in het verbintenissenrecht. In de ontwikkeling staan de problemen tussen de debiteuren en crediteuren centraal en in beperktere mate de goederenrechtelijke gevolgen. De theorievorming rond persoonlijke subrogatie leent zich er daardoor slecht voor om er lessen voor de zakelijke variant uit te trekken en het verband met subrogatie moet mijns inziens daarom ook in terminologische zin zoveel mogelijk worden vermeden.10