Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.2
4.2 De toerekening van informatieverstrekking
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503641:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel). Zie ook HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. P. van Schilfgaarde, r.o. 3.7.2 (Resort of the World/Maple Leaf).
HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel), HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, AB 2010/334 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2010/173 m.nt. R.J.B. Schutgens, r.o. 4.1.1 (Gelderland/Vitesse) en HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. P. van Schilfgaarde, r.o. 3.7.2 (Resort of the World/Maple Leaf). Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 9 november 1992, NJ 1993/311, r.o. 4.1.4 (Roosendaal en Nispen/Uytdehaag). Zie ook Kortmann 2018, p. 202 en uitgebreid Katan 2017, p. 91 e.v.
HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018, NJ 2007/231 m.nt. J.B.M. Vranken (Ontvanger/Voorsluijs), waarover Katan 2017, p. 147 e.v.
Dit criterium is afkomstig uit het strafrechtelijke HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328 m.nt. P.A.M. Mevis, AB 2004/310 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen, r.o. 3.4 (Drijfmest), waarnaar wordt verwezen in Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/87.
Vgl. HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel), HR 2 februari 1990, NJ 1990/384 (Garage Cordia/Aruba) en HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, AB 2010/334 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2010/173 m.nt. R.J.B. Schutgens, r.o. 4.2 (Gelderland/Vitesse). Vgl. Tjittes 2001, p. 44 en Katan 2017, p. 195, die in het kader van de toerekening van kennis aan de rechtspersoon belang toekent aan vier factoren, te weten vertegenwoordigingsbevoegdheid, informatiepositie, instructie- en uitvoeringsmacht en verantwoordelijkheid voor het belang van de rechtspersoon.
In dit verband behoeft niet te worden onderzocht of de handelende persoon zelf onrechtmatig heeft gehandeld, naar blijkt uit het arrest Gelderland/Vitesse (zie vorige voetnoot). Zie aldus Bartels & Spierings 2010, p. 885. Anders maar onjuist: Hennekens 2010, p. 469.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.12, laatste volzin (Appartementencomplex Rijssen-Holten), Rb. ‘s-Gravenhage 19 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0236, r.o. 4.8 (Bouwvergunning Katwijk), Rb. Noord-Holland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:964, r.o. 4.5 (Woningbouw Hoorn), waarin wordt overwogen dat ambtenaren als ‘spreekbuis’ van een gemeente naar buiten toe kunnen worden aangemerkt en Rb. Den Haag 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10168, r.o. 4.11 (Lemapa/Leiden). Zie ook de uitgebreide motivering van de toerekening van een toezegging aan de gemeente in Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996, r.o. 4.14-4.21 (TeleVerde/Haarlemmermeer).
De vermogensrechtelijke gevolgen van de aansprakelijkheid van de overheid voor schade die het gevolg is van het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie komen steeds voor rekening van een rechtspersoon. Een onrechtmatige daad jegens de burger wordt immers gepleegd door de rechtspersoon, en de rechtspersoon is dan ook (uiteindelijk) degene die gehouden is tot vergoeding van de daardoor geleden schade (zie hierover paragraaf 1.5.3). De in vermogensrechtelijk opzicht verantwoordelijk te houden rechtspersonen hebben de onjuiste informatie echter niet met eigen handen verstrekt, omdat zij als rechtspersonen niet zelf maar uitsluitend door middel van gedragingen van (bestuurs)organen en natuurlijke personen aan het rechtsverkeer kunnen deelnemen. Deze natuurlijke personen zijn in het geval van de overheid bijvoorbeeld ambtsdragers of ambtenaren, die feitelijk handelen door informatie te verstrekken aan de burger. In het licht van dit gegeven is van belang wanneer onjuiste informatieverstrekking moet worden aangemerkt als informatieverstrekking door de rechtspersoon zelf. Niet elke mededeling die een ambtenaar doet, doet hij immers namens de overheid. Alleen als de informatieverstrekking is toe te rekenen aan de rechtspersoon kan de overheid hiervoor aansprakelijk zijn.
Hierbij is niet doorslaggevend of de gewraakte gedragingen zijn verricht door – als zodanig bij wet aangewezen – organen van die rechtspersoon. Dit volgt reeds uit het arrest Kleuterschool Babbel,1 waarin het ging om de aansprakelijkheid van de gemeente Zwolle wegens uitlatingen over de instorting van de genoemde kleuterschool. Deze uitlatingen waren (onder meer) gedaan door een wethouder. Een wethouder is geen orgaan van de gemeente op grond van de Gemeentewet, maar dat deed er niet aan af dat zijn gedragingen een onrechtmatige daad van de gemeente opleverden.
Beslissend is of het handelen of nalaten van een natuurlijk persoon in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf.2 Dit criterium voor de toerekening van gedragingen aan een rechtspersoon biedt volgens de Hoge Raad een oplossing voor het probleem dat een juridische constructie – zoals een publiekrechtelijke rechtspersoon – slechts door natuurlijke personen aan het maatschappelijk verkeer kan deelnemen.3 De toerekening van onrechtmatige gedragingen aan die rechtspersoon wordt mede gerechtvaardigd doordat de in feite handelende persoon en de rechtspersoon waaraan dat handelen wordt toegerekend ‘vanuit het perspectief van de benadeelde tot op zekere hoogte met elkaar zijn te vereenzelvigen’. Of daarvoor aanleiding bestaat, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt hierbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht ‘in de sfeer van de rechtspersoon’.4 Met name de positie van de betrokken ambtsdragers of ambtenaren, de omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan, de maatschappelijke opvattingen daaromtrent en het belang van de rechtspersoon bij de gedraging lijken hierbij relevant te zijn.5 Eerst nadat is vastgesteld dat sprake is van informatieverstrekking die in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van de overheidsrechtspersoon, kan worden bezien of deze gedraging van de rechtspersoon onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW.6 In het overheidsaansprakelijkheidsrecht voor onjuiste informatieverstrekking wordt overigens zelden getwist over de vraag of informatieverstrekking is toe te rekenen aan de overheidsrechtspersoon. Uitspraken waarin hierover wordt geoordeeld, zijn schaars.7 Dit is wellicht hierdoor te verklaren dat het verstrekken van informatie over een publiekrechtelijk onderwerp al snel te beschouwen is als handelen van de overheid die ter zake een publieke taak heeft (vgl. paragraaf 2.3.1.1).