Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/7.5.1
7.5.1 Het inhoudelijke criterium: het weglaten of onduidelijk weergeven van essentiële informatie
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492396:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Door de formulering van art. 7 lid 1 en 2 wordt volgens de Commissie 'een positieve informatieplicht vermeden die volgens veel respondenten te onereus zou zijn en die volgens de effectbeoordeling ex ante aanzienlijke kosten voor handelaars met zich zou brengen': Commissie 2003a, p. 9.
Collins 2010, p. 106.
De Commissie benadrukt het feit dat met art. 7 en bijlage II niet is getracht een uitputtende lijst van verplichte informatie op te stellen: Commissie 2003a, nr. 63.
Uit de considerans blijkt dat het niet geven van informatie die door het nationale recht is vereist boven de minimumclausules in het communautaire recht geen omissie vormt in de zin van deze richtlijn. Op gebieden die niet door de Richtlijn OHP worden geharmoniseerd — het beschermen van de individuele contractuele rechten bijv. — is het toegestaan om striktere informatieplichten te hanteren: ov. 15 considerans. Dit maakt de maximum harmonisatie zeer relatief.
Broekman 2005, p. 177.
En het in ov. 15 considerans onderstrepen van het minimum karakter van veel informatieplichten.
Vgl. A-G Tizzano in een vergelijkende reclamezaak: 'Concluderend ben ik derhalve van mening, dat aan het vereiste van de controleerbaarheid van de beweringen van de adverteerder niet alleen is voldaan — uiteraard wanneer alle elementen van de vergelijking rechtstreeks in de reclameboodschap zijn opgenomen, maar ook wanneer in de boodschap wordt aangegeven waar en op welke wijze die elementen gemakkelijk door de gemiddelde consument kunnen worden achterhaald, of wanneer de boodschap hem hoe dan ook gelet op de context en de omstandigheden van het geval, duidelijk in staat stelt om deze elementen te kennen': concl. A-G Tizzano voor Lidl, r o 55 Tizzano refereert in no. 60 aan de Richtlijn OHP en wijst hierbij op de nuancerende gezichtspunten uit lid 3.
Radeideh 2005, p. 271, met verwijzing naar Nissan waarin zowel van een misleidende handeling (het aanbieden van de auto als 'nieuw') als een misleidende omissie (`het zwijgen over de eerdere registratie') sprake zou zijn.
Wilhelmsson 2007, p. 125: een onduidelijke folder waarin informatie slechts gedeeltelijk is opgenomen is aan te merken als een misleidende handeling. Een dergelijke praktijk veronderstelt volgens Wilhelmsson een positive action'. De `active use of a half truth' om een consument tot een aankoop te bewegen valt volgens hem onder art. 6 lid 1. Een misleidende omissie duidt daarentegen op de situatie waarin geen enkele actieve handeling de behoefte aan aanvullende informatie creëert: passiviteit is troef.
449. De misleidende omissie betreft als handelspraktijk, naar haar inhoud, enerzijds het weglaten en anderzijds het 'op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig' weergeven van informatie. Art. 7 lid 1 beschrijft de praktijk waarin informatie wordt weggelaten:
`(...) een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnfonneerd besluit over een transactie te nemen, weglaat.'
Lid 1 bevat een 'negatief' geformuleerde informatieplicht: informatie die essentieel is voor het nemen van een beslissing over een transactie mag niet ontbreken.1 Lid 2 voegt hier een negatief geformuleerde transparantieplicht aan toe: deze informatie mag ook niet ondoorzichtig zijn:
`(...) een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken.'
De opvattingen over welke informatie als 'essentieel' is aan te merken kunnen sterk uiteenlopen. Een voorbeeld van informatie die rechters wel of niet essentieel zouden kunnen vinden is informatie met betrekking tot het milieu zoals de duurzaamheid en recyclebaarheid van een product.2 De definitie van 'essentiële informatie' informatie die nodig is om een geïnformeerd besluit te nemen — noopt de toetsende instantie om na te denken over het voor het betreffende besluit essentiële karakter van de informatie en voorkomt een 'te' ruime uitleg van het begrip.
Lid 5 dient ter concretisering van lid 1 en 2 en 'noemt' die informatie die in ieder geval als essentieel in de zin van lid 1 en 2 wordt beschouwd wanneer sprake is van een commerciële communicatie. Althans, het lid verwijst naar een niet-exhaustieve lijst in bijlage 11.3 Deze bijlage bevat communautaire wetsbepalingen betreffende reclame en commerciële communicatie. Te denken valt aan informatieplichten voortvloeiende uit de richtlijnen koop op afstand, pakketreizen, timeshare, prijsaanduidingen, elektronische handel en consumentenkrediet.4 De vaststelling van de schending van de aangehaalde informatieplichten in het kader van art. 7 lid 1 impliceert dat de nuancerende gezichtspunten uit lid 1 en 3 (zie volgende alinea) hierop van toepassing zijn. Dat de informatieplichten uit een andere richtlijn kunnen worden afgezwakt kan onzekerheid creëren. Beide richt-lijndoelstellingen komen dan in gevaar.
450. Bij de toetsing aan het inhoudelijke criterium uit art. 7 lid 1 moeten de in lid 3 genoemde gezichtspunten in acht worden genomen. Er dient bij de beoordeling of er informatie is weggelaten, rekening te worden gehouden met de beperkingen qua ruimte of tijd van het gebruikte medium, alsook met maatregelen die de handelaar genomen heeft, om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen. Deze open geformuleerde gezichtspunten nuanceren de in lid 1 verwoorde verplichting. De vraag is of zij ook op lid 2 van toepassing zijn, nu in lid 3 slechts naar het 'weglaten van informatie' uit lid 1 wordt verwezen en niet naar het 'onduidelijk weergeven' hiervan uit lid 2. Het lijkt mij dat, gelet op de plaatsing van het artikellid, de richtlijngever heeft bedoeld lid 3 zowel op lid 1 als op lid 2 van toepassing te laten zijn. Wie echter strikt aan de tekst van lid 3 vasthoudt, kan een andere mening zijn toegedaan.
De gezichtspunten uit lid 3 kunnen aanleiding zijn tot grote interpretatieverschillen.5 Er is namelijk discussie mogelijk over de vraag wanneer sprake is van een ruimte- of tijdsgebrek en wanneer dit een rechtvaardiging vormt voor het niet verstrekken van 'essentiële informatie'. Nuancerende gezichtspunten vindt men ook terug in lid 1 en 2 zelf. Lid 1 bepaalt immers dat de informatiebehoefte van de consument contextgerelateerd is en lid 2 dat de informatie ook duidelijk uit de context kan blijken.
De voorzichtige, negatieve formulering van het inhoudelijke criterium, het niet-limitatieve karakter van art. 7 lid 56 en de nuancerende gezichtspunten wijzen er duidelijk op dat er ten tijde van de totstandkoming van de richtlijn een belangenafweging heeft plaatsgevonden. De handelaar mag niet te zwaar worden belast. De rechter beschikt over voldoende beoordelingsmarge om de informatie- en transparantievereisten naar boven of naar beneden bij te stellen.7
451. De consistente toepassing van art. 7 richtlijn wordt ook belemmerd doordat de misleidende omissie niet altijd duidelijk te onderscheiden is van de misleidende handeling die niet op onwaarheden berust ex art. 6 lid 1.8 Er is sprake van een zekere overlap, die ook blijkt uit het feit dat bepaalde misleidende praktijken op de zwarte lijst niet zonder meer onder het ene of andere artikel kunnen worden ondergebracht. Te denken valt ook aan de onduidelijke reclame, die aan de hand van de Richtlijn misleidende reclame werd bestreden. Met het oog op de maximale harmonisatiedoelstelling luistert het nauw welke bepaling die reclame nu zal treffen. Art. 7 lid 2 richtlijn houdt in tegenstelling tot art. 6 lid 1 richtlijn expliciet rekening met de beperkingen qua ruimte en tijd inherent aan het gebruikte medium. De flexibiliteit en openheid van de misleidende omissietoets werken uitleg- en toepassingsverschillen in de hand. De onduidelijke verhouding tussen de beide misleidingssubnormen kan, gelet op deze flexibiliteit en openheid, de harmonisatie in de weg staan. Wilhelmsson hanteert de tegenstelling actieve/ passieve misleiding.9 Dit onderscheidend criterium biedt echter lang niet altijd uitkomst: art. 7 lid 2 duidt naar ik meen op een positieve handeling. Een onduidelijke, onbegrijpelijke of dubbelzinnige boodschap impliceert een actie: de boodschap is op genoemde wijze geformuleerd. De tegenstelling zou bovendien ten onrechte zo kunnen worden opgevat dat bij een misleidende handeling anders dan bij een misleidende omissie sprake moet zijn van opzet.