Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.3.6.2
3.3.6.2 De enquêtebevoegdheid van de aandeelhouder of certificaathouder zonder economisch belang
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373434:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 23 augustus 1989, NJ 1989/827 (Bredero); OK maart 2000, JOR 2000/99 (Willem III Meubilering Beheer BV) en OK 3 juni 2013, JOR 2013/241 (Interfisc Holding BV).
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 28. De Commissie Vennootschapsrecht ontraadt een dergelijke regeling omdat zij “ […] geen aanleiding [ziet] de regeling te beperken tot aandelen of certificaten van aandelen die voor eigen rekening worden gehouden. Een dergelijk criterium biedt onvoldoende duidelijkheid en maakt de ontvankelijkheid afhankelijk van de contractuele vormgeving door partijen.” Zie Advies Commissie vennootschapsrecht d. d. 19 oktober 2010, p. 1 (te raadplegen op: http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/10/19/voorontwerp-tot-aanpassing-van-het-enqueterecht/ advies-enqueterecht-def.pdf).
Kamerstukken II 2011-2012, 32 887, nr. 6 (NnavV), p. 4. Zie voorts de reactie van de vereniging VNO-NCW d.d. 6 januari 2010, p. 4 (te raadplegen op: https://www.internetconsultatie.nl/enqueterecht/reactie/24f283ae-5d22-44bd-84d1-afa782d164bf).
Zie Raaijmakers (2007), p. 40-41, die meent dat een exclusieve bevoegdheid van de houder van het economische belang onwenselijk zou zijn gelet op de complexiteit van de relatie tussen juridische eigendom en economisch belang.
Dat de aandeelhouder en certificaathouder zonder economisch belang enquêtebevoegd is (blijft), betekent dat het instellen van een enquêteverzoek ook mogelijk is op basis synthetische belangen zonder economisch belang. Zoals de houder van de short side of interest leg van de aandelenswap die zijn risico heeft afgedekt door de aandelen te houden. Zie hierover uitgebreid Oosterhoff (2016), p. 193 en Oosterhoff, diss. (2017), p. 355 e.v.
Zie § 3.1.2.
In gelijke zin Oosterhoff, diss. (2017), p. 410.
Zo ook Oosterhoff (2016), p. 194. Olden en Borgart betogen in hun noot bij de Scheipar-beschikking in Ondernemingsrecht 2003, p. 387, dat de certificaathouder die zijn economische belang heeft “weggecontracteerd” niet langer bevoegd is om een enquêteverzoek in te dienen. Zie ook Brink in nr. 11 van zijn noot bij de Butôt-beschikking (JOR 2010/337) en Josephus Jitta in nr. 4 van zijn noot bij de Scheipar-beschikking (JOR 2003/161).
Zie hierover ook Oosterhoff (2016), p. 194, die meent dat aandeelhouders zonder economisch belang jegens de houders van het economisch belang verplicht kunnen zijn de economische aandeelhoudersrechten af te dwingen.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 659.
Dat een aandeelhouder een enquête verzoekt terwijl hij geen economisch belang (meer) heeft bij de aandelen, is niet ondenkbaar. Ik denk hierbij in eerste instantie aan het administratiekantoor, omdat dit bij uitstek een aandeelhouder is zonder economisch belang. Dat een administratiekantoor niettemin de enquêtebevoegdheid toekomt, blijkt al geruime tijd uit de rechtspraak.1 Bij de jongste herziening van het enquêterecht in 2013 is ook de vraag opgeworpen of de aandeelhouder en certificaathouder het economische belang bij zijn aandelen moet houden om enquêtebevoegd te zijn (blijven). De minister vermeldt daarover:
“Bezien is voorts of de regeling moet worden beperkt tot aandelen of certificaten van aandelen die voor eigen rekening worden gehouden. Tot een dergelijke beperking is niet overgegaan omdat het criterium «houden voor eigen rekening» onvoldoende duidelijkheid biedt en de ontvankelijkheid van de aandeelhouders en certificaathouders in dat geval afhankelijk wordt van de contractuele vormgeving door partijen. De Commissie vennootschapsrecht heeft een dergelijke regeling ontraden.” 2
Naar aanleiding van het commentaar van VNO-NCW op dit standpunt schrijft de minister in de Nota naar aanleiding van het verslag het volgende:
“VNO-NCW heeft voorts opgemerkt dat het wetsvoorstel ten onrechte niet bepaalt dat beleggers uitsluitend toegang hebben tot het enquêterecht wanneer zij aandelen voor eigen rekening houden. Terecht is opgemerkt dat ik hiermee het advies van de Commissie vennootschapsrecht volg, die heeft aangegeven dat de invoering van het criterium «houden voor eigen rekening» tot gevolg heeft dat er bij voortduring discussie zal bestaan over de ontvankelijkheid van aandeelhouders omdat moet worden bezien hoe de verkrijging van hun aandelen is gefinancierd. Het voorstel van VNO-NCW zal een grote belemmering opleveren voor aandeelhouders en certificaathouders om beroep te doen op het enquêterecht. Daarvoor is geen aanleiding. Zoals ik ook elders in deze nota naar aanleiding van het verslag opmerk, vertrouw ik er mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dat de Ondernemingskamer zorgvuldig zal omgaan met haar bevoegdheden op grond van het enquêterecht.” 3
Mede gelet op de tekst van art. 2:346 BW zal over de enquêtebevoegdheid van aandeelhouders en certificaathouders zonder economisch belang naar mijn verwachting geen discussie bestaan. De in § 3.3.5 besproken jurisprudentie geeft evenmin aanleiding dat slechts de uiteindelijk economisch gerechtigde, bij uitsluiting van ieder ander, enquêtebevoegd is.4 Certificering en andere (contractuele) constructies op grond waarvan de aandeelhouder of certificaathouder de stukken voor rekening en risico van een ander houdt, hebben dus niet tot gevolg dat die aandeelhouder of certificaathouder zijn enquêtebevoegdheid verliest, ook al is hun enquêtebevoegdheid mogelijk overbodig.5
Dat een aandeelhouder of certificaathouder zonder economisch belang de enquêtebevoegdheid toekomt naast de houder van het economisch belang wringt wel een beetje. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de bescherming van het enquêterecht toekomt aan de verschaffer van risicodragend kapitaal.6 De aandeelhouder of certificaathouder zonder economisch belang is dat strikt genomen niet. Hij houdt de stukken voor rekening en risico van economisch gerechtigde. Het stellen van het vereiste dat de aandeelhouder en certificaathouder het economisch belang moet houden om enquêtebevoegd te zijn, zou echter afbreuk doen aan de duidelijke en in de praktijk makkelijk te hanteren hoofdregel van art. 2:346 BW: de aandeelhouder en certificaathouder zijn zonder meer enquêtebevoegd. Een praktische oplossing voor dit wringen, ligt in de toepassing van art. 3:303 BW. Dat een aandeelhouder of certificaathouder zonder economisch belang de enquêtebevoegdheid toekomt, neemt namelijk niet weg dat hij onvoldoende belang bij zijn enquêteverzoek kan hebben in de van art. 3:303 BW. De OK het verzoek dan afwijzen.7 In het geval dat de certificaathouder het economisch belang bij de certificaten niet meer heeft, blijven er weinig argumenten bestaan die het behoud van zijn enquêtebevoegdheid rechtvaardigen.8
Er zijn overigens situaties denkbaar waarin een aandeelhouder zonder economisch belang niettemin belang kan hebben bij de enquêtebevoegdheid. Aandeelhouders zonder economisch belang behouden immers de niet-economische aandeelhoudersrechten. Wanneer de effectieve uitoefening van deze rechten in het geding komen, biedt de enquêteprocedure een waardevol instrument om daartegen op te komen.9 In geval van certificering komt het belang bij de enquêtebevoegdheid van het administratiekantoor – als aandeelhouder zonder economisch belang – duidelijk naar voren. Certificering bij besloten (familie) vennootschappen dient er vaak toe de stabiliteit van de besluitvorming in de aandeelhoudersvergadering en daarmee de continuïteit van de vennootschap te bevorderen.10 Het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming speelt voor het administratiekantoor dan ook een belangrijke rol bij de uitoefening van haar niet-economische aandeelhoudersrechten. Als die zeggenschapsrechten in het geding zijn, geldt dat doorgaans ook voor het belang van de vennootschap. Dit belang moet het administratiekantoor via een enquête kunnen behartigen, mits er uiteraard gegronde redenen aanwezig zijn om te twijfelen aan een juist beleid van de vennootschap.