Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/331
331 Historie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371431:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie als voorbeeld art. 2:135 lid 1 (bezoldigingsbeleid) respectievelijk lid 4 (individuele bezoldiging) BW. Overigens bestond voor invoering van het nieuwe art. 2:135 lid 1 BW al de verplichting op grond van art. 2:391 lid 2 BW het bezoldigingsbeleid openbaar te maken, waaruit kan worden opgemaakt dat er ook voor invoering van art. 2:135 BW een verplichting bestond om een bezoldigingsbeleid te hebben.
De bepaling was in 1929 te vinden in art. 48c WvK. Bij de invoering van het nieuw BW kwam deze bepaling ongewijzigd terecht in art. 2:135 BW. Voorheen was expliciet opgenomen dat onder de bezoldiging ook een tantième kan vallen. Deze laatst zin is geschrapt, vanwege de ontwikkeling van de verschillende nieuwe beloningsvormen. Desalniettemin valt tantième nog steeds onder bezoldiging.
Van Solinge spreekt van ‘smokkelwaar’, aangezien het wetsvoorstel primair gericht is op het aanpassen van de structuurregeling terwijl de aanpassingen van o.a. art. 2:135 BW niet alleen zien op de structuurvennootschap maar van toepassing zijn op alle naamloze vennootschappen; Van Solinge 2003, p. 486. Zie tevens de opmerkingen van Vendrik tijdens het wetgevingsoverleg; Kamerstukken 28 179, nr. 52, Verslag van een wetgevingsoverleg, 3 september 2003, Vendrik, p. 19. De amendementen volgden op diverse ontwikkelingen met betrekking tot wet- en regelgeving over de bezoldiging van bestuurders, zoals het initiatiefvoorstel van wet van de Kamerleden Harrewijn en Rosenmöller (Kamerstukken II, 2001/02, 28 163, nr. 1–13), het rapport van de High Level Group van de Europese Commissie onder voorzitterschap van Jaap Winter en de daarop gebaseerde Mededeling van de Europese Commissie over herziening van het ondernemingsrecht en corporate governance van 21 mei 2003 (COM (2003) 284 final), de evaluatie van de 40 aanbevelingen over goed ondernemingsbestuur van de Commissie Peters en het verschijnen van de conceptcode voor corporate governance van de Commissie-Tabaksblat, zie Kamerstukken II, 2002/03, 28 179, nr. 31 (Tweede Nota van Wijziging), 28 augustus 2003, p. 6.
Kamerstukken II, 2002/03, 28 179, nr. 51 Brief van de Minister, p. 2.
De managerial powertheorie die tegelijkertijd opkwam in de literatuur wordt niet expliciet als reden genoemd. Wel wordt ingegaan op het ‘onderonsje’ tussen bestuurders en commissarissen waardoor bestuurders hun eigen bezoldiging vast kunnen stellen. De gedachte is derhalve grotendeels hetzelfde, namelijk dat commissarissen niet op het scherpst van de snede onderhandelden met de bestuurders en geneigd zijn de bestuurders tegemoet te komen. Zo merkt Minister van Justitie Donner onder meer op, dat het ongewenst is dat vennootschapsorganen hun eigen bezoldiging vaststellen dan wel een grote invloed daarop kunnen uitoefenen, zie Kamerstukken I, 2003-2004, 28179, B, p. 2.
Kamerstukken II, 28 179, nr. 31 (Tweede Nota van Wijziging), 28 augustus 2003, p. 6. Zie tevens de opmerking van Minister Donner: “het [wetsvoorstel, ECHJL] gaat over het fundamentele feit dat de salarissen door het bestuur eventueel samen met de commissarissen worden vastgesteld. Daarover is ook de onrust ontstaan. Dat wordt nu doorbroken.” Kamerstukken II, 28 179, nr. 52 (Verslag van een wetgevingsoverleg), 3 september 2003, Donner, p. 29.
Kamerstukken II, 28 179, nr. 31 (Tweede Nota van Wijziging), 28 augustus 2003, p. 6. De botsing tussen de verschillende perspectieven op bezoldiging en de verantwoordelijkheidsgedachte zoals vervat in het tweede deel komen hier dus tot uiting.
Kamerstukken II, 28 179, nr. 31 (Tweede Nota van Wijziging), 28 augustus 2003, p. 6.
Naast het versterken van de macht van de aandeelhouders, wordt tevens expliciet bepaald dat de ondernemingsraad het beloningsbeleid gelijktijdig met de aanbieding van het beleid aan de algemene vergadering dient te ontvangen. Op de rol van de ondernemingsraad bij het vaststellingsproces van de bezoldiging van bestuurders kom ik terug in onder meer randnummer 362.
Naast het vergroten van de transparantie heeft de Nederlandse wetgever in 2004 gekozen voor aanpassing van art. 2:135 BW om de bezoldiging van bestuurders te reguleren. Met deze aanpassing wordt het huidige onderscheid in art. 2:135 BW geïntroduceerd tussen de vaststelling van het bezoldigingsbeleid en de vaststelling van de individuele bezoldiging van bestuurders.1 Vanaf de introductie van art. 48c WvK in 1928 tot haar aanpassing in 2004 bepaalde het (bij opname in het NBW vernummerde) art. 2:135 BW dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, de bezoldiging van bestuurders door de algemene vergadering wordt vastgesteld.2 Diverse amendementen bij het wetsvoorstel tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de structuurregeling, zorgen voor een wijziging van deze bepaling. De wetgever beoogt met deze wijziging een scheefgroei in de vennootschappelijke verhoudingen te herstellen.3
Een reden voor de aanpassing is dat in de praktijk bij beursgenoteerde vennootschappen de bevoegdheid om de bezoldiging van bestuurders vast te stellen zonder uitzondering wordt gedelegeerd aan de raad van commissarissen. Hoewel de praktische voordelen van het delegeren van deze bevoegdheid evident zijn, wordt de huidige gang van zaken als onwenselijk beschouwd. De wetgever is de mening toegedaan dat de aandeelhouders in ieder geval een deel van de besluitvorming aan zich moeten houden om te voorkomen dat het evenwicht in de machtsverhoudingen binnen de vennootschap op dit punt wordt verstoord.4 Door verschillende excessen is er twijfel gerezen of de commissarissen bij het uitvoeren van de aan hen gedelegeerde taak – om de individuele bezoldiging van bestuurders vast te stellen – het belang van de vennootschap en de onderneming nog wel voorop stellen. Het wantrouwen jegens bestuurders en commissarissen, zoals uiteengezet in de managerial powerbenadering, sijpelt dus door in wetgevingsvoorstellen en voedt de onderliggende gedachte van de wetgever dat herstel van de onderlinge verhoudingen binnen de vennootschap noodzakelijk is.5
‘Commissarissen en zijn veelal bekenden van elkaar. Dat ‘old boy’s network’ vermindert het vertrouwen in de onafhankelijkheid van commissarissen. Omdat bestuurders en commissarissen een grote informatievoorsprong hebben, kunnen aandeelhouders zich ook geen goed oordeel vormen over de redelijkheid van de bezoldiging.’6
Ook is het kabinet de mening toegedaan dat, door de verschillende excessen en de immer stijgende bezoldigingsniveaus, commissarissen en bestuurders ieder gevoel voor verhoudingen kwijt zijn. Het past niet dat bestuurders – in schril contrast met de in die tijd van werknemers gevraagde pas op de plaats – bovenmatige inkomensontwikkelingen kennen.7
Vanwege het praktisch nut van de mogelijkheid om de vaststelling van de individuele bezoldiging van bestuurders te kunnen delegeren aan de raad van commissarissen, blijft de oorspronkelijke bepaling van kracht dat de bezoldiging van individuele bestuurders wordt vastgesteld door de algemene vergadering tenzij in de statuten een ander orgaan is aangewezen.8 Opgenomen wordt wel dat de vennootschap een beleid moet hebben op het terrein van de bezoldiging van het bestuur dat alleen mag worden vastgesteld door de algemene vergadering. De individuele bezoldiging dient met inachtneming van dit beleid te worden vastgesteld. Mocht in de statuten de bevoegdheid tot het vaststellen van de individuele bezoldiging aan een ander orgaan zijn toebedeeld, dan dient dat orgaan ten aanzien van beloningsregelingen voor het bestuur in de vorm van aandelen of opties een voorstel ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering.9 De Nederlandse wetgever kiest derhalve voor het invoeren van twee vormen van say-on-pay. Voordat ik in zal gaan op deze regelingen verdient de vaststelling van de individuele bezoldiging van bestuurders enige uitleg vanwege de onduidelijkheid die hierover bestaat in de praktijk.