Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.2
6.2 Bevoegdheid ten aanzien van vermogensrechtelijke verhoudingen
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196867:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465 (Unilever); HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516 (KPNQwest). Zie uitvoeriger 2.3.
Bijv.: OK 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, ARO 2008/79 (Yukos), r.o. 3.5: “De Ondernemingskamer stelt voorop dat niet de Ondernemingskamer maar de gewone civiele rechter — absoluut — bevoegd is de (rechts)vraag wie heeft te gelden als aandeelhouder van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid indien daarover geschil bestaat rechtens bindend te beslissen, nu immers een zodanige beslissing op zichzelf van puur vermogensrechtelijke aard is.”. Zie ook r.o. 3.10. Zie voor een ander voorbeeld nt. 44 bij 8.4.1.
Indien een Nederlandse rechter bevoegd is. Zie nr. 194 voor bevoegdheid van buitenlandse rechters. Voor het begrip gewone burgerlijke rechter, zie 1.1 nt. 36.
Uitvoeriger 2.3 en nr. 75.
Eikelboom 2017, p. 2.2.4, onder verwijzing naar HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, ARO 2005/68 (Laurus), r.o. 3.9. Zie ook Eikelboom 2017, p. 8.4.4.1.
Deze ingrepen kunnen het herstel van gezonde verhoudingen binnen de rechtspersoon bewerkstelligen (nr. 86).
In de zaak ABN Amro was de rechter te New York bevoegd inzake het verkoopcontract tussen ABN Amro en Bank of America (M.P. Nieuwe Weme, annotatie bij OK 3 mei 2007, JOR 2007/143, nr. 12).
Wellicht wordt de beslissing van de wederpartij om wel of niet een procedure te entameren beïnvloed door bijzonderheden van het proces voor de bevoegde rechter. Dat wordt hier niet onderzocht.
Bijv. OK 21 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9691, ARO 2013/65 (Spebio). Er was een aantal overeenkomsten; op sommige was Frans recht van toepassing, op andere Nederlands recht. In een van de overeenkomsten was het Nederlands Arbitrage Instituut bevoegd verklaard (r.o. 2.8-2.1). Zie over de procedurele verwikkelingen r.o. 2.22-2.24. De Ondernemingskamer slaat acht op de arbitrale uitspraak (r.o. 3.3). Zie ook 6.3.
[192] De jurisdictie van de Ondernemingskamer wordt bepaald door de doeleinden van het enquêterecht. Het beslechten van vermogensrechtelijke disputen behoort niet tot die doeleinden.1 Deze grens aan haar bevoegdheid wordt door de Ondernemingskamer af en toe bevestigd in een beschikking.2 Deze begrenzing brengt mee dat ze niet bevoegd is om te oordelen over de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij.3 Dat is voorbehouden aan de gewone burgerlijke rechter.4 De rechten, die de wederpartij kan laten gelden op grond van een contract met de rechtspersoon, kan de Ondernemingskamer niet bindend vaststellen.
Deze beperking van de competentie van de Ondernemingskamer hangt mijns inziens ten nauwste samen met het karakter van de enquêteprocedure. In die procedure staat het belang van de rechtspersoon en zijn onderneming voorop.5 Het belang van een contractuele wederpartij van de rechtspersoon neemt in de enquêteprocedure geen gelijkwaardige positie in. In 2.7 is uiteengezet dat de ruimte, die de enquêterechter in het belang van de rechtspersoon heeft, de partijautonomie inperkt. Ook een contractuele wederpartij zou, indien hij in een enquêteprocedure zou opkomen, worden geconfronteerd met die inperking. De enquêteprocedure kent bovendien maar een feitelijke instantie en is niet omgeven met dezelfde waarborgen als de contradictoire procedure. Daardoor is de rechter in de enquêteprocedure niet goed geëquipeerd tot het beslechten van vermogensrechtelijke geschillen. Ook Eikelboom legt een verband tussen de competentieverdeling en het verschil in waarborgen tussen de enquêteprocedure en de contradictoire procedure. Hij wijst er op dat in een enquêteprocedure een bewijsaanbod niet hoeft te worden gehonoreerd en dat er geen recht op tegenbewijs is.6 Ik meen dat dit verschil tussen de procedures in theorie nog wel te ondervangen zou zijn. De enquêterechter is niet verplicht een bewijsaanbod te passeren; hij mag een feitenonderzoek verrichten, gelijk aan dat in een contradictoire procedure. In de praktijk zou echter de met bewijslevering gemoeide vertraging van het geding niet stroken met het wettelijk verankerde spoedeisend karakter van de enquêteprocedure.7 Dat vertraging een voortvarende sanering van verhoudingen in de weg staat, met alle potentiële onwenselijke bedrijfseconomische gevolgen van dien, vind ik een zwaarwegend argument om het beslechten van vermogensrechtelijke geschillen buiten de enquêteprocedure te houden.
[193] De Ondernemingskamer kan geen contractuele – externe – rechtsverhouding vaststellen. In de tweede fase kan zij, door middel van voorzieningen vermeld in artikel 2:356 BW, wel nieuwe interne rechtsverhoudingen vaststellen.8 Dit verschil kan mede worden verklaard door verschillen tussen de eerste fase en de tweede fase in spoedeisendheid en in waarborgen. Aan het vaststellen van rechtsbetrekkingen in de tweede fase gaat een uitvoerig feitenonderzoek vooraf in de vorm van de enquête door de onderzoeker, waarvan verslag gelegd wordt. Er is meer tijd voor partijdebat.
In de tweede fase staat, net als in de eerste fase, het belang van de rechtspersoon voorop. Belangen van partijen met wie de rechtspersoon externe betrekkingen onderhoudt zijn ook in de tweede fase niet gelijkwaardig. Dat kan verklaren dat in de opsomming van artikel 2:356 BW geen bevoegdheid is opgenomen om in de tweede fase externe rechtsverhoudingen bindend vast te stellen.
[194] Mogelijk heeft niet de Nederlandse rechter, maar een buitenlandse rechter rechtsmacht.9 De bevoegde rechter zal over de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij oordelen volgens het toepasselijke, Nederlandse of vreemde, recht. Het maakt voor de vaststelling van de vermogensrechtelijke betrekking dan ook geen wezenlijk verschil of de Nederlandse dan wel een buitenlandse rechter bevoegd is.10 Niet wie er oordeelt, maar het toepasselijke recht is daarvoor doorslaggevend. Mogelijk zijn de rechtspersoon en zijn wederpartij arbitrage overeengekomen.11 In dat geval zal het gaan om de inhoud van het oordeel van de bevoegde arbiter.12 De Ondernemingskamer hoeft zich dus niet vergaand te verdiepen in de vraag welke rechter bevoegdheid heeft, maar kan volstaan met de constatering dat zij zelf niet bevoegd is. Partijen bij de enquêteprocedure zouden van mening kunnen verschillen over welke rechter, de Nederlandse of een vreemde of een arbiter, bevoegd is. Ook dan geldt dat de Ondernemingskamer niet in dat twistpunt hoeft te treden.