Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3:Hoofdstuk 3 De bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3
Hoofdstuk 3 De bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196891:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
3.1 Inleiding3.2 Het ontstaan van artikel 2:349a lid 2 BW; achtergrond3.3 Doel van opname van de onmiddellijke voorzieningen in de wet3.4 Gevolgen van de invoering van artikel 2:349a lid 2 BW3.5 De wetswijziging van 20133.6 De twee stadia van de beslissing over een onmiddellijke voorziening3.7 De wettelijke criteria voor toepassing van artikel 2:349a lid 2 BW3.8 Karakter van de wettelijke criteria; een hoge drempel3.9 Belangenafweging en de twee beslisstadia3.10 Reikwijdte van de bevoegdheid; afwijking van dwingend recht3.11 Reikwijdte van de bevoegdheid; onomkeerbare gevolgen3.12 Reikwijdte van de bevoegdheid; subsidiariteit en proportionaliteit3.13 Reikwijdte van de bevoegdheid; nog enkele beperkingen3.14 Samenvatting en conclusie