Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.2.2.3.2
2.2.2.3.2 Ontbreken subjectief criterium: betalingsonmacht
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS403486:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Kreft, Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 136.
Zie hiervoor § 2.2.2.3.1.
Zie de Toelichting op Regeringsontwerp van artikel 131 lid 1 sub 2 InsO (Balz en Landfermann, Die Neuen Insolvenzgesetze, p. 233): 'die subjektiven Voraussetzungen (Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis von der Zahlungsunfähigkeit) werden dagegen wegen der besonderen Verdächtigkeit inkongruenten Erwerbs unwiderleglich vermutet.' Zie in dezelfde zin Smid, Grundzüge des Insolvenzrechts, p. 317.
Zie voor een kritische beschouwing van de rechtvaardiging van artikel 131 InsO en de rol die subjectieve elementen daarbij spelen, hierboven § 2.2.2.3.1.
Incongruente voldoeningen in de tweede en de derde maand voor de aanvraag, kunnen bestreden worden indien de schuldenaar toen reeds in betalingsonmacht verkeerde (Zahlungsunfähigkeit). Subjectieve eisen worden niet gesteld. De bewijslast dat de schuldenaar ten tijde van de voldoening reeds in betalingsonmacht verkeerde, rust op de bewindvoerder.1 Het is voldoende dat de schuldenaar in betalingsonmacht verkeerde, niet vereist is dat de schuldenaar reeds gestopt was met betalingen (Zahlungseinstellung).
Hoewel in dit geval geen subjectieve eisen worden gesteld, wordt ook2 deze bepaling wel gedeeltelijk door subjectieve elementen aan de zijde van de wederpartij verklaard. Of zoals de toelichting op artikel 131 lid 1 sub 2 InsO zegt, dat hier ook de subjectieve criteria geacht worden te zijn vervuld.3 Evenals het geval is bij de aantasting van incongruente voldoeningen in de maand voor de aanvraag, lijkt daarmee de rechtvaardiging voor het ingrijpen bij incongruente voldoeningen toch mede gevonden te worden in bepaalde subjectieve elementen aan de zijde van de wederpartij .4 De omstandigheden rechtvaardigen echter niet een enkele omkering in de bewijslast, maar dat de subjectieve elementen onweerlegbaar worden geacht te zijn vervuld.