Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/14.3.5
14.3.5 Betalingen op kapitaalvervangende leningen door derden
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402376:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 44a luidt: “In dem Insolvenzverfahren über das Vermögen einer Gesellschaft kann ein Gläubiger nach Maßgabe des § 39 Abs. 1 Nr. 5 für eine Forderung auf Rückgewähr eines Darlehns oder für eine gleichgestellte Forderung, für die ein Gesellschafter eine Sicherheit bestellt oder für die er sich verbürgt hat, nur anteilsmäßige Befriedigung aus der Insolvenzmasse verlangen, soweit er bei der Inanspruchnahme der Sicherheit oder des Bürgen ausgefallen ist.” Voor invoering van het MoMiG was deze regel neergelegd in § 32a(2).
Nerlich/Römermann 2011, § 44a, nr. 5.
De Weijs meent dat deze problematiek in Nederland “ernstig onderbelicht is gebleven”. (De Weijs 2010b, p. 165).
§ 132(2) luidt: “Anfechtbar ist eine Rechtshandlung, mit der eine Gesellschaft einem Dritten für eine Forderung auf Rückgewähr eines Darlehens innerhalb der in Absatz 1 Nr. 2 genannten Fristen Befriedigung gewährt hat, wenn ein Gesellschafter für die Forderung eine Sicherheit bestellt hatte oder als Bürge haftete; dies gilt sinngemäß für Leistungen auf Forderungen, die einem Darlehen wirtschaftlich entsprechen.” Voor invoering van het MoMiG was dit geregeld in § 32b, dat bepaalde: “Hat die Gesellschaft im Fall des § 32a Abs. 2, 3 das Darlehen im letzten Jahr vor dem Antrag auf Eröffnung des Insolvenzverfahrens oder nach diesem Antrag zurückgezahlt, so hat der Gesellschafter, der die Sicherung bestellt hatte oder als Bürge haftete, der Gesellschaft den zurückgezahlten Betrag zu erstatten; § 146 der Insolvenzordnung gilt entsprechend. Die Verpflichtung besteht nur bis zur Höhe des Betrags, mit dem der Gesellschafter als Bürge haftete oder der dem Wert der von ihm bestellten Sicherung im Zeitpunkt der Rückzahlung des Darlehens entspricht. Der Gesellschafter wird von der Verpflichtung frei, wenn er die Gegenstände, die dem Gläubiger als Sicherung gedient hatten, der Gesellschaft zu ihrer Befriedigung zur Verfügung stellt. Diese Vorschriften gelten sinngemäß für andere Rechtshandlungen, die der Darlehensgewährung wirtschaftlich entsprechen.” Daarnaast gold tot het MoMiG dat de derde de vordering uit hoofde van het in crisistijd verstrekte krediet slechts kon verhalen op de vennootschap voor zover uitwinning van de door de aandeelhouder verstrekte zekerheden onvoldoende bleek om zijn vordering te voldoen.
§ 143(3) luidt: “Im Fall der Anfechtung nach § 135 Abs. 2 hat der Gesellschafter, der die Sicherheit bestellt hatte oder als Bürge haftete, die dem Dritten gewährte Leistung zur Insolvenzmasse zu erstatten. Die Verpflichtung besteht nur bis zur Höhe des Betrags, mit dem der Gesellschafter als Bürge haftete oder der dem Wert der von ihm bestellten Sicherheit im Zeitpunkt der Rückgewähr des Darlehens oder der Leistung auf die gleichgestellte Forderung entspricht. Der Gesellschafter wird von der Verpflichtung frei, wenn er die Gegenstände, die dem Gläubiger als Sicherheit gedient hatten, der Insolvenzmasse zur Verfügung stellt.”
In § 135 InsO is tevens een bijzondere regeling neergelegd die ziet op leningen van derden aan de vennootschap, waarvoor een aandeelhouder zekerheden heeft verstrekt, zich hoofdelijk heeft verbonden of zich anderszins heeft sterkgemaakt. Aan deze regeling ligt de gedachte ten grondslag dat – net als aandeelhoudersleningen – dergelijke leningen feitelijk het karakter van een kapitaalstorting hebben. Zoals reeds in hoofdstuk 3 aan bod kwam, wordt door deze manier van financieren een deel van het vermogen van de aandeelhouder dat het met de onderneming verbonden risico draagt, gereserveerd voor een specifieke (doorgaans professionele) crediteur, zoals de bank. Dit risicodragende vermogen, dat kennelijk nodig was om de derde tot financiering te verleiden, wordt zo buiten het verhaal van de gezamenlijke concurrente crediteuren gehouden. Daarom bepaalt § 44a InsO dat derden die leningen aan de vennootschap hebben verstrekt waarvoor aandeelhouders zekerheden hebben verstrekt, zich hoofdelijk hebben verbonden of zich anderszins sterk hebben gemaakt, hun vorderingen uit hoofde van deze leningen slechts op de vennootschap kunnen verhalen voor zover bij uitwinning van de door de aandeelhouder verstrekte zekerheden onvoldoende verhaal wordt gevonden.1 Deze regel verschuift kortom de primaire draagplicht voor het door de vennootschap aangetrokken krediet naar de aandeelhouder die zich daarvoor heeft sterk gemaakt.2
De Insolvenzordnung biedt tevens een regeling met oog op het risico dat de vennootschap in de aanloop naar insolventie de schulden voldoet waarvoor de aandeelhouder zich heeft sterk gemaakt; hiermee wordt immers de exposure in faillissement van de aandeelhouder afgebouwd.3 In Duitsland worden dergelijke selectieve betalingen daarom benaderd als indirecte vermogensonttrekkingen door aandeelhouders. Omdat deze betalingen (volgens de Duitse leer) economisch gelijk gesteld kunnen worden met de terugbetaling van kapitaal of de uitkering van dividend, kunnen zij door de curator worden vernietigd als zij binnen een jaar voor de faillissementsaanvraag hebben plaatsgevonden.4 Het gevolg van de vernietiging is opmerkelijk: daarmee komt niet op de derde die de betaling heeft ontvangen de verplichting te rusten om de ontvangen middelen aan de vennootschap terug te betalen; ingevolge § 143(3) InsO dient de aandeelhouder de door de derde ontvangen middelen aan de vennootschap te vergoeden.5 De verplichting tot vergoeding is gemaximeerd tot het bedrag waarvoor de aandeelhouder zich jegens de derde heeft sterkgemaakt.