Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.4.2:3.4.4.2 Brahn over Beekhuis en het Bloembollenarrest
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.4.2
3.4.4.2 Brahn over Beekhuis en het Bloembollenarrest
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645013:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Beekhuis (1957), p. 39. Deze gedachte ging direct in tegen de opvatting dat de eenheid tussen hoofdzaak en bijzaak een duurzame moest zijn. Zie: Diephuis I (1885), p. 460. Volgens Diephuis konden de tak- en wortelvaste vruchten wel als afzonderlijke zaken worden beschouwd, p. 433-434; Suijling V (1940), §7, Rn 60, p. 65 e.v.
HR 31 oktober 1930, ECLI:NL:HR:1930:332 met noot Scholten.
Asser/Beekhuis (1957), p. 39.
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 180.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Brahn ging vervolgens in op de argumenten die Beekhuis aandroeg om het verschil tussen bestanddelen en bijzaken te duiden. Beekhuis verwees daarvoor naar het Bloembollenarrest. De Hoge Raad had daarin bepaald dat men de bloembollen alleen in eigendom kon overdragen als een akte in de openbare registers was ingeschreven. Nu dat niet was gebeurd, bleven de bollen toebehoren aan de grondeigenaar. Beekhuis stelde dat ook een beroep op een eigendomsvoorbehoud mogelijk zou zijn nadat de zaken met elkaar waren verbonden, mits ingeschreven in de openbare registers. Hij kwalificeerde vervolgens - en dat was voor Brahn een stap te ver - de tak- of wortelvaste vruchten eveneens als bijzaken, “omdat deze ertoe bestemd zijn van de hoofdzaak te worden gescheiden”.1 Beekhuis gaf echter aan dat de rechtspraak de tak- en wortelvaste vruchten niet als bijzaken zag, aangezien de Hoge Raad bepaald had dat ze niet vatbaar waren voor executoriaal beslag.2 Beekhuis stelde vast:
“Behalve als bijzaken kan men tak- of wortelvaste vruchten ook beschouwen als toekomstige (zelfstandige) zaken. Als zodanig kunnen ze in ieder geval worden verkocht.”3
Voor Brahn waren deze gedachtegangen het bewijs dat het onderscheid tussen bestanddelen en bijzaken niet meer vol te houden was. De bloembollen konden volgens Beekhuis als aparte onroerende zaken worden overgedragen via inschrijving van een akte van overdracht. De tak- of wortelvaste vruchten daarentegen werden gezien als toekomstige roerende zaken, waarvan de vereiste levering alleen kon geschieden door een geanticipeerd constitutum possessorium. “Het lijkt een sprookje van Andersen: “Hoe de onroerende bol en de roerende knol voor citroenen werden verkocht’”. Het onderscheid tussen bestanddeel en bijzaak was even kunstmatig als willekeurig, aldus Brahn.4