Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.4.1
II.4.1 Vergelijking met leugendetectie en narcoanalyse: ‘betreden’ van het geheugen
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450803:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. P. Meyjes, ‘Preadvies’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethoden in strafzakenten aanzien van de persoon van de verdachte aan beperkende voorschriften te worden onderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-I), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 151-169 en G.A.H. Feber, ‘Preadvies’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethodenin strafzaken ten aanzien van de persoon van de verdachte aan beperkende voorschriftente worden onderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-I), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 227 en P.P.J. van der Meij, De driehoeksverhoudingin het strafrechtelijk vooronderzoek. Een onverminderde zoektocht naar evenwicht in de rolverdelingtussen de rechter-commissaris, de officier van justitie en de verdediging (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2010, p. 135-137 en G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandsestrafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 326.
G.A.H. Feber, ‘Preadvies’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethoden in strafzaken tenaanzien van de persoon van de verdachte aan beperkende voorschriften te worden onderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-I), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 227. Zie ook J.E. Jonkers, ‘Reactie’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethodenin strafzaken ten aanzien van de persoon van de verdachte aan beperkende voorschriften te wordenonderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-II), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 110.
W.P.J. Pompe, ‘Reactie’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethoden in strafzaken tenaanzien van de persoon van de verdachte aan beperkende voorschriften te worden onderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-II), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 99.
S.J. Timmenga, ‘Is de toepassing van de narco-analyse en de leugenverklikker (lie detector) in het strafproces geoorloofd?’, TvS 1951, 1, p. 19-46 en J.E. Jonkers, ‘Reactie’, in: In hoeverre behoren onderzoekingsmethoden in strafzaken ten aanzien van de persoon van deverdachte aan beperkende voorschriften te worden onderworpen? (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1956-II), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956, p. 109-110.
P.P.J. van der Meij, De driehoeksverhouding in het strafrechtelijk vooronderzoek. Een onverminderdezoektocht naar evenwicht in de rolverdeling tussen de rechter-commissaris, de officiervan justitie en de verdediging (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2010, p. 135.
Zie voor literatuur over dit onderwerp o.a. G. Ben-Shakhar & J.J. Furedy, Theories and Applications in the Detection of Deception: A Psychophysiological and International Perspective, New York, NY: Springer-Verlag 1990, p. 45-49 en E.H. Meijer, B. Verschuere & H. Merkelbach, ‘Leugendetectie met de polygraaf’, in: P.J. van Koppen, H. Merkelbach, M. Jelicic & J.W. de Keijser (red.), Reizen met mijn Rechter: Psychologie van het Recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 696.
Mogelijkerwijs worden de leugendetectie en narcoanalyse als verwant of gelijk aan (neuro)geheugendetectie gezien. Dat zou niet verwonderlijk zijn. De leugendetectietest gebruikt de meting van lichamelijke reacties om (on)waarheden vast te stellen tijdens een verhoor. Bij narcoanalyse wordt een werkzame stof toegediend om de verdachte spraakzamer te maken. Qua meetmethode – zowel de vraagstellingstechniek als neurologische en fysiologische instrumenten – komen (neuro)geheugendetectie en leugendetectie overeen. Met narcoanalyse wordt ook getracht het innerlijke van de verdachte inzichtelijk te maken, in dit geval door zijn grenzen te verlagen. Om uiteenlopende redenen worden leugendetectie en narcoanalyse als ongeoorloofde opsporingsmethoden gezien.1 Zo wordt het gebruik van narcoanalyse als ‘doordringen in het laatste bolwerk van het geweten’ en als ‘vernietiging van de ziel’ omschreven.2 Daarnaast wordt met het toedienen van een stof de eigen wilsbepaling over het afleggen van een verklaring uitgeschakeld of ten minste gemanipuleerd. Verder wordt gewezen op de inbreuk op de menselijke persoonlijkheid3 en de problematiek met betrekking tot het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht van zowel de narcoanalyse als de leugendetectie. 4 Als laatste zijn vragen gesteld over de mogelijke gezondheidsrisico’s die kleven aan het gebruik van de narcoanalyse, al lijkt dat gebied geen probleem te zijn.5 Aangezien veel verschillende en stevige bezwaren zijn geuit tegen de toepassing van leugendetectie en narcoanalyse in het strafprocesrecht is het belangrijk de verschillen tussen deze methoden en (neuro)geheugendetectie nader te bekijken.6
Leugendetectie komt het meest overeen met (neuro)geheugendetectie. In principe worden dezelfde lichamelijke reacties gemeten om een leugen en een herinnering vast te stellen. Denk daarbij aan de hartslag, zweetproductie of hersenactiviteit. Om een leugen vast te stellen moet echter discrepantie bestaan tussen de waarheid en hetgeen de onderzochte persoon daarover verklaart. Voor leugendetectie is dus een verklaring vereist, want zonder verklaring kan de onwaarheid niet worden vastgesteld. Om een herinnering vast te stellen, is het enkel noodzakelijk dat de onderzochte persoon informatie herkent. Voor (neuro)geheugendetectie is de automatische reactie van lichaam of hersenen noodzakelijk. Bij de leugendetectie dient de onderzochte persoon gewilde spierbewegingen te maken – namelijk het spreken – terwijl bij (neuro) geheugendetectie de persoon alleen (auditief of visueel) beelden of woorden hoeft waar te nemen. Tussen beide methoden zit derhalve een verschil tussen de vereiste activiteit of passiviteit om de methode succesvol toe te kunnen passen.
Een tweede verschil tussen leugendetectie en (neuro)geheugendetectie zit in de reactietijd die de onderzochte persoon krijgt. Bij neurogeheugendetectie wordt ongeveer 300 milliseconden na waarneming de (niet-)herkenning geregistreerd. Bij leugendetectie wordt de vraag gesteld, waarna de persoon moet antwoorden met ja of nee, of moet kiezen uit een aantal opties bij een meerkeuzevraag. Dit proces duurt ten minste enkele seconden. Voor de praktijk is dit reactietijdsverschil belangrijk omdat bij de leugendetectie meer ruimte is voor invloeden van storende variabelen. In 300 milliseconden is het zo goed als onmogelijk om bewust een reactie te geven, terwijl bij de leugendetectie na het stellen van de vraag (of misschien al tijdens het stellen) de persoon kort de tijd heeft na te denken en bewust een antwoord te geven. Tijdens dit proces is de kans op sociaalwenselijke of door omstandigheden beïnvloedde antwoorden (vele malen) groter. Dit komt de betrouwbaarheid van de leugendetectie niet ten goede.
Tijdens de narcoanalyse wordt een bewustzijnverlagend of hypnotiserend middel toegediend om de innerlijke barrières van de mens te verzwakken. Het middel wordt onder andere toegediend om niet bewust bereikbare herinneringen – zoals bij traumata – toegankelijk te maken of om een persoon spraakzamer te maken. Met (neuro)geheugendetectie heeft narcoanalyse gemeenschappelijk dat niet observeerbare of niet bewust toegankelijke herinneringen inzichtelijk worden gemaakt. Belangrijke verschillen zijn dat bij narcoanalyse een bepaald middel moet worden toegediend om het bewustzijnsniveau te manipuleren, terwijl bij de (neuro)geheugendetectie normale lichamelijke reacties worden gemeten. Daarnaast dient de toepassing van narcoanalyse de persoon spraakzamer te maken. Onder invloed van een bepaald middel wordt verwacht dat de persoon vragen eerder of waarheidsgetrouwer beantwoordt. Zoals hierboven ook bij de vergelijking met de leugendetectie werd aangegeven, hoeft de persoon tijdens een (neuro)geheugendetectie niet te spreken (of een andere gewilde spierbeweging te maken). (Neuro)geheugendetectie vereist slechts passieve medewerking, een dulden, terwijl leugendetectie en narcoanalyse actieve medewerking vereisen.