Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.4.3
8.4.4.3 Forward casting bij verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655668:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierna zal ik niet steeds zeggen ‘misleidende mededelingen en/of omissies’ en zal ik simpelweg refereren aan ‘misleidende mededelingen’.
Zie over deze complicatie Bruegger & Dunbar 2009, p. 38-41.
Zie over de analyst forecast revision coefficient uitgebreid Bruegger & Dunbar 2009, p. 34-35 en p. 67-69.
Ik wijs erop dat het in de praktijk ook vaak voorkomt dat de analyst forecast revision coefficient op cross sectionele basis wordt geschat. Dit houdt in dat bij het schatten van de coëfficiënt gebruik gemaakt wordt van een cross sectionele dataset bestaande uit een verzameling van (historische) publicaties van onverwachte financiële resultaten met bijbehorende forecast revisions afkomstig van verschillende vennootschappen (in plaats van alleen van de onderzochte vennootschap).
Zie over het schatten van de AFRC uitgebreid Bruegger & Dunbar 2009, p. 67-69.
Vgl. Bruegger & Dunbar 2009, p. 34.
Alternatieve specificaties van de genoemde relatie zijn uiteraard denkbaar. Zo kan bijvoorbeeld ervoor worden gekozen om in de bovenstaande vergelijking nog een constante op te nemen. Ook kan ervoor worden gekozen om de earnings surprise te relateren aan de hoogte van de beurskoers vlak voordat de nieuwe informatie bekend werd. In dit laatste geval moet in de bovenstaande vergelijking de variabele (EPSt – E[ EPSt]) worden gedeeld door de hoogte van de beurskoers op tijdstip t-1.
Zie voor een ander voorbeeld Bruegger & Dunbar 2009, p. 38-41.
Hoewel dit hoofdstuk betrekking heeft op het Amerikaanse recht, ga ik gemakshalve uit van bedragen in euro’s.
Gemakshalve ga ik in dit voorbeeld ervan uit dat tijdstip T4 niet een datum is waarop nieuwe financiële resultaten (en daarmee nieuwe EPS) worden gerapporteerd.
Gemakshalve wordt hier dus aangenomen dat de constant dollar method geschikt is voor het modelleren van het verloop van de koersinflatie over de periodes gelegen tussen de verschillende earnings release dates.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat de uitkomst van de in de hoofdtekst genoemde berekening € 6,88 is (in plaats van € 6,87) vanwege een afrondingsverschil.
a. Extra complicatie is dat de toekomstverwachtingen van de markt zich bij afwezigheid van de misleiding anders zouden hebben ontwikkeld
Ook in de situatie waarin de misleiding bestaat uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies, kan de forward casting-methode worden gebruikt om de hypothetische koerslijn te construeren en kan gebruik worden gemaakt van een earnings response coefficient om de koersinflatie te schatten op de momenten waarop de desbetreffende misleidende mededelingen en/of omissies plaatsvonden.1 Er speelt in dat geval alleen wel een extra complicatie en die is dat in de analyse moet worden verdisconteerd dat de toekomstverwachtingen van de markt ten aanzien van (de koers van) het litigieuze effect zich anders zouden hebben ontwikkeld (ten opzichte van hoe de verwachtingen zich thans hebben ontwikkeld), als van meet af aan – in plaats van misleidende – juiste en volledige informatie zou zijn gepubliceerd.2 Hoe de toekomstverwachtingen zich in de hypothetische situatie zonder misleiding zouden hebben ontwikkeld is voor de analyse van belang, omdat deze (hypothetische) verwachtingen uiteindelijk bepalen in hoeverre de markt door de opeenvolgende litigieuze mededelingen zou zijn verrast, als deze mededelingen – in plaats van misleidend – juist en volledig zouden zijn geweest. De mate waarin de markt door de opeenvolgende mededelingen bij afwezigheid van de misleiding zou zijn verrast, is op zijn beurt weer bepalend voor hoe de koers zich in de hypothetische situatie zonder misleiding zou hebben ontwikkeld.
b. Het construeren van de toekomstverwachtingen voor de hypothetische situatie zonder misleiding met behulp van de ‘analyst forecast revision coefficient’
Een manier om in de analyse te verdisconteren dat de toekomstverwachtingen van de markt zich bij afwezigheid van de misleiding anders zouden hebben ontwikkeld, is door (de ontwikkeling van) deze hypothetische toekomstverwachtingen afzonderlijk te modelleren. De methode waarmee deze hypothetische verwachtingen kunnen worden ge(re)construeerd is relatief eenvoudig: eerst wordt voor elke mededeling afzonderlijk bepaald in welke mate de markt haar verwachtingen zou hebben bijgesteld als deze mededeling – in plaats van misleidend – juist en volledig zou zijn geweest, vervolgens worden na elke mededeling de bestaande verwachtingen daarvoor steeds gecorrigeerd. Ervan uitgaande dat analistenvoorspellingen een betrouwbare schatting geven van de toekomstverwachtingen van de markt, kan de mate waarin de markt haar verwachtingen bij afwezigheid van de misleiding zou hebben bijgesteld op zijn beurt worden geschat aan de hand van een zogenoemde ‘analyst forecast revision coefficient’. De analyst forecast revision coefficient (‘AFRC’) is een coëfficiënt (of parameter) die de factor uitdrukt waarmee analistenvoorspellingen gemiddeld genomen worden herzien wanneer de markt wordt geconfronteerd met een earnings surprise.3 Zo betekent een AFRC van 0,75 dat de consensus-analistenvoorspelling voor de EPS van een bepaald beursfonds met € 0,75 naar beneden wordt bijgesteld, als de gerapporteerde EPS van dit fonds (in negatieve zin) € 1,00 afwijkt van hetgeen aanvankelijk door de markt werd verwacht. De AFRC kan worden geschat door gebruik te maken van eerdere handelsdagen waarop de onderzochte vennootschap (en/of sectorgenoten van deze vennootschap) onverwachte resultaten publiceerde(n) en daarbij steeds te kijken naar de mate waarin de consensus-analistenvoorspelling in reactie op de earnings surprise werd bijgesteld.4 Wat hierbij in concreto wordt gedaan, is dat aan de hand van regressieanalyse een relatie wordt geschat tussen enerzijds de earnings surprise waarmee de publicatie van onverwachte resultaten gepaard gaat en anderzijds het bedrag waarmee de consensus-analistenvoorspelling naar aanleiding van deze earnings surprise wordt herzien (de parameter die deze relatie karakteriseert, is de genoemde AFRC).5 Door de aldus geschatte AFRC vervolgens toe te passen op de earnings surprise waarmee de markt zou zijn geconfronteerd als de litigieuze mededeling – in plaats van misleidend – juist en volledig zou zijn geweest, kan worden berekend in welke mate de markt als gevolg van deze (hypothetische) earnings suprise haar toekomstverwachtingen zou hebben bijgesteld. Algebraïsch ziet dit er als volgt uit:6
waarbij ΔEPSt staat voor het bedrag waarmee de consensus-analistenvoorspelling op tijdstip t wordt herzien, EPSt staat voor de earnings per share die op tijdstip t worden gepubliceerd, E [ EPSt] staat voor de earnings per share die (voorafgaand aan de publicatie van de daadwerkelijk gerealiseerde earnings per share) op tijdstip t door de markt werden verwacht, (EPSt – E[ EPSt]) derhalve staat voor de earnings surprise waarmee de markt op tijdstip t wordt geconfronteerd en waarbij c staat voor de geschatte analyst forecast revision coefficient.7
Gegeven de bovenstaande AFRC-methodiek kan de ontwikkeling van de toekomstverwachtingen van de markt in de hypothetische situatie zonder misleiding nu eenvoudig worden geconstrueerd door de beschreven procedure voor elke misleidende mededeling te herhalen en aldus voor elke misleidende mededeling steeds te bepalen in hoeverre de markt bij (de veronderstelde hypothetische) publicatie van juiste informatie haar verwachtingen zou hebben bijgesteld en door vervolgens na elke misleidende mededeling de oude verwachtingen daarvoor te corrigeren.
c. Het construeren van de hypothetische koerslijn met behulp van het ERC/AFRC-raamwerk
Uitgaande van de zojuist besproken procedure voor het modelleren van de (ontwikkeling van de) toekomstverwachtingen in de hypothetische situatie zonder misleiding, kan de hypothetische koerslijn worden geconstrueerd door de hierboven sub b besproken AFRC-methode toe te passen in combinatie met de in § 8.4.4.2 besproken ERC-methode. Het combineren van beide methoden levert voor de situatie waarin de misleiding bestaat uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen de volgende procedure op voor het bepalen van de hypothetische koerslijn (ik zal de procedure hierna aanduiden als het ‘ERC/AFRC-raamwerk’):
1. Eerst moet worden vastgesteld in hoeverre de markt op het tijdstip van de eerste misleidende mededeling zou zijn verrast en welk koerseffect dat zou hebben teweeggebracht, als deze mededeling – in plaats van misleidend – juist en volledig zou zijn geweest. De mate waarin de markt zou zijn verrast, kan worden bepaald door de (juiste) resultaten die bij afwezigheid van de misleiding zouden zijn gerapporteerd te vergelijken met de op het moment van publicatie van deze resultaten bestaande consensus-analistenvoorspelling. De koersreactie waarin deze (hypothetische) verrassing vervolgens zou hebben geresulteerd, kan worden geschat met behulp van een ERC. Wordt bij deze hypothetische koersreactie het koerseffect van macro-economische en sectorspecifieke informatie – dat zich ook bij afwezigheid van de misleiding zou hebben voorgedaan – opgeteld, dan wordt de totale koersreactie verkregen die bij publicatie van juiste en volledige informatie zou zijn geobserveerd. Deze totale hypothetische koersreactie vormt vervolgens het eerste aanknopingspunt voor (het verloop van) de hypothetische koerslijn.
2. Ten tweede moet worden bepaald in hoeverre de markt naar aanleiding van de in stap 1 berekende hypothetische verrassing op het tijdstip van de eerste misleidende mededeling haar toekomstverwachtingen zou hebben bijgesteld, als – in plaats van misleidende – juiste en volledige informatie zou zijn gepubliceerd. De mate waarin de markt haar verwachtingen zou hebben bijgesteld, kan worden geschat met behulp van een AFRC.
3. Aan de hand van de aangepaste toekomstverwachtingen voor de hypothetische situatie zonder misleiding kan vervolgens worden bepaald in hoeverre de markt op het tijdstip van de tweede misleidende mededeling zou zijn verrast en welk koerseffect dat op zijn beurt zou hebben teweeggebracht, als deze mededeling – in plaats van misleidend – juist en volledig zou zijn geweest. De mate waarin de markt zou zijn verrast, kan wederom worden berekend door de (juiste) resultaten die bij afwezigheid van de misleiding zouden zijn gerapporteerd te vergelijken met de op dat moment bestaande consensus-analistenvoorspelling. De koersreactie waarin deze (hypothetische) verrassing vervolgens zou hebben geresulteerd, kan wederom worden geschat met behulp van een ERC. Rekening houdend met het koerseffect van macro-economische en sectorspecifieke informatie dat zich ook bij afwezigheid van de misleiding zou hebben voorgedaan, vormt de totale hypothetische koersreactie dan het tweede aanknopingspunt voor de hypothetische koerslijn.
4. Door de voorgaande stappen voor elke opeenvolgende (nieuwe) misleidende mededeling te herhalen, kan de hypothetische koerslijn vervolgens stapsgewijs worden gemodelleerd. Volledigheidshalve merk ik hierbij nog op dat bij het construeren van de hypothetische koerslijn rekening ermee moet worden gehouden dat de onder stap 3 berekende hypothetische koersreactie steeds wordt toegepast op (of wellicht beter gezegd: gerelateerd aan) de koerslijn zoals die tot het tijdstip van de onderzochte mededeling is geconstrueerd. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat op ieder tijdstip in het tijdvak van de misleiding steeds het cumulatieve effect van de opeenvolgende misleidende mededelingen die tot dat moment zijn gedaan, in de hypothetische koerslijn is verdisconteerd.
5. De koersinflatie kan daarna voor elke gewenst tijdstip eenvoudig worden verkregen door voor het desbetreffende tijdstip simpelweg het verschil te nemen tussen de feitelijke en hypothetische koerslijn.
d. Illustratie van het ERC/AFRC-raamwerk aan de hand van een voorbeeld
Hoe het modelleren van het verloop van de hypothetische koerslijn (en daarmee van de koersinflatie) bij verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen met behulp van het zojuist uiteengezette ERC/AFRC-raamwerk in de praktijk precies werkt, laat zich wederom het gemakkelijkst illustreren aan de hand van een voorbeeld.8
Stel dat vennootschap X op tijdstip T1 haar resultaten over verslaggevingsperiode 1 bekendmaakt en dat zij meldt dat haar EPS € 2,00 bedragen, terwijl deze in werkelijkheid maar € 1,00 bedragen.9 De EPS worden dus met een bedrag van € 1,00 te gunstig voorgesteld. Aangenomen wordt dat X met de gerapporteerde EPS van € 2,00 precies voldoet aan de op tijdstip T1 in de markt bestaande consensus-analistenvoorspelling en dat de markt door dit resultaat derhalve niet (positief of negatief) wordt verrast. De koers reageert dus niet op de genoemde publicatie. Stel verder dat deze gang van zaken zich op de tijdstippen T2 en T3 precies zo herhaalt. Ook op tijdstip T2 en T3 wordt (voor de verslaggevingsperiodes 2 respectievelijk 3) dus een EPS gepresenteerd van € 2,00, terwijl deze in werkelijkheid maar € 1,00 bedragen en ook voor deze tijdstippen geldt dat de markt door de gerapporteerde EPS niet wordt verrast en dat de koers derhalve niet reageert. Stel voorts dat X op tijdstip T4 een corrigerende mededeling publiceert waarin zij de eerdere misleiding bekendmaakt en zij deze corrigerende mededeling combineert met de (tijdige en niet aan de misleiding gerelateerde) mededeling dat één van haar belangrijkste afnemers naar de concurrent is overgestapt.10 In reactie op beide mededelingen vindt op tijdstip T4 een residuele koersdaling plaats van € 20,00. De vraag die vervolgens voorligt, is in welke mate de opeenvolgende misleidende mededelingen de koers hebben beïnvloed en hoe het koersverloop in de hypothetische situatie zonder misleiding er zou hebben uitgezien. Deze vraag kan worden beantwoord door gebruik te maken van het hierboven uiteengezette ERC/AFRC-raamwerk.
Eerst moet worden bepaald met welke earnings surprise de markt op tijdstip T1 zou zijn geconfronteerd en welk koerseffect deze surprise zou hebben teweeggebracht, als op tijdstip T1 – in plaats van misleidende – juiste resultaten zouden zijn gepubliceerd. Ervan uitgaande dat de in de markt op tijdstip T1 bestaande consensus-analistenvoorspelling ten aanzien van de EPS voor periode 1 € 2,00 bedraagt, kan worden vastgesteld dat de markt bij afwezigheid van de misleiding (dus bij gerapporteerde EPS van € 1,00) met een (negatieve) earnings surprise zou zijn geconfronteerd van (1,00 – 2,00 =) – € 1,00. Aannemende dat de voor de relevante periode geschatte ERC een waarde aanneemt van 10, zou deze earnings surprise in een (negatieve) koersreactie hebben geresulteerd van (10 * -1,00 =) – € 10,00. Aangezien de markt in de huidige situatie bij gerapporteerde EPS van € 2,00 niet werd verrast en derhalve ook geen koersreactie plaatsvond, betekent dit dat op tijdstip T1 een koersinflatie is ontstaan van € 10,00.
Vervolgens moet worden bepaald in hoeverre de markt naar aanleiding van de earnings surprise op tijdstip T1 haar toekomstverwachtingen zou hebben bijgesteld. Aannemende dat de voor de relevante periode geschatte AFRC een waarde aanneemt van 0,75, kan worden vastgesteld dat de markt op tijdstip T1 haar verwachtingen ten aanzien van de EPS voor periode 2 met een bedrag van € 0,75 neerwaarts zou hebben bijgesteld. Bij publicatie van juiste resultaten zou de markt op tijdstip T1 namelijk zijn geconfronteerd met een earnings surpise van – € 1,00, hetgeen een (neerwaartse) bijstelling impliceert van (0,75 * -1,00 =) – € 0,75. Aangezien de verwachte EPS voor periode 2 aanvankelijk € 2,00 bedroegen, betekent dit dat voor de hypothetische situatie zonder misleiding de aangepaste verwachte EPS voor periode 2 (2,00 – 0,75 =) € 1,25 bedragen.
Dan is vervolgens de vraag met welke earnings surprise de markt op tijdstip T2 zou zijn geconfronteerd en welk koerseffect deze surprise op haar beurt weer zou hebben teweeggebracht, als op tijdstip T2 – in plaats van misleidende – juiste resultaten zouden zijn gepubliceerd. Aangezien de markt bij afwezigheid van de misleiding op tijdstip T2 een EPS zou hebben verwacht van € 1,25, terwijl bij publicatie van juiste resultaten op tijdstip T2 een EPS zou zijn gerapporteerd van € 1,00, kan worden gezegd dat de markt op tijdstip T2 met een earnings surprise zou zijn geconfronteerd van – € 0,25. Deze earnings surprise zou op haar beurt weer hebben geresulteerd in een (negatieve) koersreactie van (10 * -0,25 =) – € 2,50. Aangezien de markt in de huidige situatie bij gerapporteerde EPS van € 2,00 niet werd verrast en derhalve ook geen koersreactie plaatsvond, volgt hieruit dat op tijdstip T2 een extra koersinflatie is ontstaan van € 2,50. Aannemende dat de koersinflatie tussen tijdstip T1 en tijdstip T2 constant is gebleven, betekent dit dat op tijdstip T2 inmiddels sprake is van een cumulatieve koersinflatie van (10,00 + 2,50 =) € 12,50.11
Door de zojuist genoemde stappen voor de volgende periode te herhalen kan op overeenkomstige wijze worden beredeneerd dat op tijdstip T3 een extra koersinflatie ontstaat van € 0,63. Wederom aannemende dat de koersinflatie in de tussenliggende periode constant is gebleven, betekent dit dat op tijdstip T3 inmiddels sprake is van een cumulatieve koersinflatie van (10,00 + 2,50 + 0,63 =) € 13,13. Nemen wij voorts aan dat de koersinflatie tussen tijdstip T3 en tijdstip T4 verder ongewijzigd blijft, dan kan worden gezegd dat van de koersdaling van € 20,00 die op tijdstip T4 werd gemeten, een bedrag van (20,00 – 13,13 =) € 6,8812 is terug te voeren op het gecombineerde koerseffect van enerzijds de andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie die op tijdstip T4 werd gepubliceerd en anderzijds de eventuele gevolgschade die naar aanleiding van de corrigerende mededeling in de koers werd ingeprijsd. De bovenstaande analyse wordt in de onderstaande tabel samengevat.
T1
T2
T3
T4
Feitelijk verwachte EPS
2,00
2,00
2,00
Nvt
Hypothetisch verwachte EPS zonder misleiding
2,00
1,25
1,06
Nvt
Feitelijk gerapporteerde EPS
2,00
2,00
2,00
Nvt
Correcte EPS zonder misleiding
1,00
1,00
1,00
Nvt
Feitelijke earnings suprise na publicatie misleidende EPS
0,00
0,00
0,00
Nvt
Hypothetische earnings surprise zonder misleiding
–1,00
–0,25
–0,06
Nvt
Toename van de koersinflatie na misleidende mededeling
10,00
2,50
0,63
Nvt
Door misleiding veroorzaakte cumulatieve koersinflatie
10,00
12,50
13,13
0,00
Ik wijs er nog op dat in het bovenstaande voorbeeld zich de situatie voordoet dat de totale koersinflatie bij iedere nieuwe misleidende mededeling steeds met een iets kleiner bedrag toeneemt. In dit verband zou ook kunnen worden gesproken van een ‘afnemende toenemende’ koersinflatie. Dit verschijnsel van een afnemende toenemende koersinflatie is logisch te verklaren, als in ogenschouw wordt genomen dat de mate waarin met de opeenvolgende misleidende mededelingen de EPS te rooskleurig worden voorgesteld, ongewijzigd blijft. Het feit dat bij elke opeenvolgende misleidende mededeling de EPS in dezelfde mate te rooskleurig worden voorgesteld, betekent – vanwege het door de markt na elke earnings surprise waarmee zij zou zijn geconfronteerd bijstellen van haar verwachtingen – namelijk dat in de hypothetische situatie zonder misleiding de markt na elke opeenvolgende mededeling steeds in iets kleinere mate zou zijn verrast. Deze afname in de earnings surprises heeft op haar beurt tot gevolg dat de koersreactie waarin elke opeenvolgende mededeling zou hebben geresulteerd eveneens afneemt en dit laatste impliceert dat het bedrag waarmee de totale koersinflatie toeneemt, gaandeweg kleiner wordt.