Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.2.1
14.2.1 ‘Full jurisdiction’, centrale en perifere stellingen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940388:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 15.3.3.
Zie de verwijzingen in EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 55.
Feteris 2002, p. 148. Elders verdedigt hij, op grond van jurisprudentie van de ECRM, dat de rechter ook daadwerkelijk van deze bevoegdheid gebruik moet maken en zich dus niet met een jantje-van-leiden van de beoordeling kan af maken, Feteris 2002, p. 377.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 149.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 150.
Zie paragraaf 7.3.9.3. Aldus ook: Pauwels 2014, par. 3.3.
Feteris 2002, p. 150. In dezelfde zin: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Den Haag 23 december 2015, V-N 2016/14.5.
EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 56. Zie hieromtrent nader paragraaf 14.4.4.3.6.
Zie paragraaf 15.5 en paragraaf 12.4.1.
Vgl. in dit verband ook de relevante aspecten uit het EHRM-arrest Västberga Taxi, besproken in paragraaf 9.3.2.2.4 (kortweg: de aanwezigheid van disculpatiegronden en een niet te restrictief toetsende rechter).
Zie paragraaf 15.5.2 en paragraaf 12.4.2.
Zie omtrent de toetsings- en onderzoeksplicht van de rechter ten aanzien van de verschillende perifere stellingen nader paragraaf 9.4.
Art. 6 EVRM waarborgt dat de boeteling zijn zaak aan een onafhankelijke rechter kan voorleggen.1 Dit recht op onbelemmerde toegang tot de rechter moet ook effectief zijn: de rechter die over de boete oordeelt, moet voldoende beoordelingsvrijheid hebben. In de jurisprudentie van het EHRM is in dit verband het criterium ‘full jurisdiction’ ontwikkeld.2 Deze ‘full jurisdiction’ houdt in, dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om de opgelegde boete in alle opzichten te vernietigen, zowel op feitelijke als op juridische gronden. Het onderzoek van de rechter moet zich daarom uit kunnen strekken tot alle geschilpunten van feitelijke of juridische aard. Daardoor krijgt de boeteling de ruimte om het aangebrachte bewijs ten overstaan van de rechter ter discussie te stellen, of om aan te bieden om tegenbewijs te leveren. De rechter moet zowel ten aanzien van de feiten als ten aanzien van het recht vervolgens daadwerkelijk een eigen oordeel kunnen vellen.3
In het verlengde daarvan garandeert art. 6 EVRM naar mijn mening ook dat de boeteling een rechterlijk oordeel kan vragen over bewijskwesties. Dat oordeel kan de toepassing van het geldende bewijsrecht in het concrete geval betreffen, maar ook de houdbaarheid van dat bewijsrecht in het licht van art. 6 EVRM. De rechter moet de feitelijke en juridische merites van de zaak immers steeds ten volle kunnen beoordelen,4 en daaronder valt ook het bewijsrecht als zodanig.
Binnen het Nederlandse stelsel velt de belastingrechter inderdaad een zelfstandig oordeel over de feiten en het recht.5 Hij bepaalt aan de hand van het bewijsrecht welke feiten als vaststaand worden aangenomen, waarop hij vervolgens het recht toepast. Daarbij heeft hij een grote vrijheid.6 In de literatuur wordt dan ook aangenomen dat het Nederlandse stelsel voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM op dit punt stelt.7 Uit de overwegingen van het EHRM in het arrest Segame (waarin een Franse fiscale boete speelde) valt naar mijn mening eveneens op te maken dat de Nederlandse situatie naar alle waarschijnlijkheid voldoet aan het criterium ‘full jurisdiction’.8
Dat criterium maakt naar mijn beleving overigens geen duidelijk onderscheid tussen centrale en perifere stellingen. Voor wat betreft de centrale stellingen gaat het er vooral om, dat de boeteling het belastende bewijs ter discussie kan stellen en tegenbewijs kan leveren. Dat is in de Nederlandse situatie het geval.9 In paragraaf 14.3 ga ik nader op in de totstandkoming van de rechterlijke overtuiging op basis van de aangebrachte bewijsmiddelen. Voor wat betreft de perifere stellingen houdt de ‘full jurisdiction’ naar mijn opvatting in, dat de boeteling de reële mogelijkheid moet hebben om alle denkbare stellingen die boeteverlagend kunnen zijn, in te nemen en ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.10 Het Nederlandse fiscale procesrecht biedt de boeteling die mogelijkheid.11 Bovendien neemt de rechter ten aanzien van veel perifere stellingen een tamelijk actieve houding aan, die tot uitdrukking komt in hetzij een ambtshalve toetsingsplicht, hetzij een zelfstandige onderzoeksplicht.12