Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.4.2.3.2
7.4.2.3.2 Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio, C-116/12 – Be- of verwerkingsovereenkomst als verkoop voor uitvoer?
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258773:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EEG 4 februari 1986, nr. C-65/85 (Hauptzollamt Hamburg-Ericus/Van Houten), ECLI:EU:C:1986:53, r.o. 13.
Dit ligt genuanceerder indien de grondstoffen door de principaal worden aangekocht van een producent buiten het douanegebied van de Europese Unie en daaropvolgend door een toll manufacturer worden bewerkt tot (half)fabricaat alvorens te worden ingevoerd in de Europese Unie. In dat geval zal de transactiewaarde van de ingevoerde goederen naar mijn mening wel toepassing moeten vinden waarbij de vergoeding die de toll manufacturer in rekening brengt de grondslag van de transactiewaarde vormt en wordt verhoogd met de aankoopprijs van de grondstoffen als zijnde een toelevering (onderdeel 11.4.3.2.4). Het verschil is er hem dan ingelegen dat in dit geval een overgang van financieel risico plaatsvindt van goederen die bestemd zijn om te worden ingevoerd in de Europese Unie wat in de zaak Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio niet het geval is. De grondstoffen waren Griekenland reeds eigendom van Christodoulou.
In voornoemde zaak werd suiker en sinaasappelpreparaat vanuit Griekenland door Christodoulou uitgevoerd naar Bulgarije, dat destijds nog geen onderdeel uitmaakte van de Europese Unie. Ten aanzien van de uitvoer van suiker ontving Christodoulou uitvoerrestituties. Vervolgens werden de goederen aangegeven voor tijdelijk invoer in Bulgarije en aldaar geplaatst onder een equivalent van de bijzondere regeling actieve veredeling. Agrima bewerkte daaropvolgend de suiker en het sinaasappelpreparaat die haar gratis ter beschikking werd gesteld, tot vruchtensap. Het vruchtensap werd vervolgens wederuitgevoerd naar Griekenland. Aan voornoemde overeenkomst tot bewerking en verwerking lag geen schriftelijk overeenkomst ten grondslag.
Het Hof van Justitie geeft ten eerste aan dat ‘verkoop’ een begrip is dat binnen het Unierecht moet worden uitgelegd, daarbij rekening houdend met de context en het doel van de betrokken regeling. De context van de regeling betreft het stelsel tot bepaling van de douanewaarde van ingevoerde goederen zoals vastgelegd in – destijds – het CDW. Het doel is dat de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. Vervolgens stelt het Hof van Justitie dat de douanewaarde bij voorrang op basis van de transactiewaarde moet worden bepaald en dat de transactiewaarde de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed moet weergeven waarbij rekening wordt gehouden met alle bestanddelen van dit goed die een economische waarde vormen.
Op basis van voornoemde exercitie komt het Hof van Justitie vervolgens tot de conclusie dat het begrip ‘verkoop’ ruim uitgelegd dient te worden. Dat de transactie als verkooptransactie wordt gekwalificeerd, maar in feite een bewerkings‑ of verwerkingsovereenkomst is, doet kennelijk voor de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet ter zake. Daarbij merkt het Hof van Justitie nog op, als antwoord op de tweede prejudiciële vraag, dat het voor de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen onbelangrijk is of de bewerking of verwerking voldoet aan de voorwaarden van artikel 24 CDW (thans artikel 60, lid 2, DWU), om deze goederen te beschouwen als van oorsprong uit het land van bewerking of verwerking.
Het is mijns inziens terecht dat het Hof van Justitie zich voor de vaststelling of sprake is van een verkoop in douanerechtelijke zin niet laat leiden door het feit dat partijen de overeenkomst aanmerken als verkoopovereenkomst. Uitgangspunt is dat, aldus het Hof van Justitie in een eerder arrest genaamd Hauptzollamt Hamburg-Ericus/Van Houten, wordt gekeken naar de: “[…] voorwaarden waaronder een koopovereenkomst is gesloten, ook indien deze afwijken van de handelspraktijk of ongebruikelijk zijn voor de betrokken overeenkomst.”1 De ruimte die bestaat om af te wijken van standaardvoorwaarden waaronder een verkoopovereenkomst tot stand komen, mogen wat mij betreft echter geen afbreuk doen aan het feit dat sprake moet zijn van een verkoop in juridische of economische zin. Tegen die achtergrond kan ik mij niet vinden in de conclusie van het Hof van Justitie in de zaak Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio. Agrima treedt namelijk in wezen op als toll manufacturer en verleend als zodanig een bewerkings- en verwerkingsdienst (onderdeel 1.4.4.2). Zij verkrijgt echter niet de macht om over de grondstoffen (suiker en sinaasappelpreparaat) of het eindproduct (vruchtensap) te beschikken en loopt ook geen financieel risico over deze goederen. Dat geen financieel risico over de goederen wordt gelopen, leek er in het hierna te bespreken arrest aan in de weg te staan dat sprake was van een verkoop vanuit een douanerechtelijk perspectief. Hoewel een verkoop ruim uitgelegd dient te worden, lijkt de overdracht van een eindproduct vervaardigd door een tollmanufacturer aan zijn opdrachtgever in mijn optiek niet te kwalificeren als een verkoop en ontbreekt er, mits er geen andere transactie plaatsvindt die als verkoop voor uitvoer kan worden aangemerkt, een transactiewaarde die kan dienen als grondslag voor de vaststelling van de douanewaarde.2