Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/9.3.3
9.3.3 Samenloop met verlies uit aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451749:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor kritiek op dit arrest T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 175-176, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 225, Fed, Deventer. 1995.
In deze zin de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 68 en 70. Vgl. H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.10.A,b, Gouda Quint, Deventer.
Dit is blijkens de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nadrukkelijk gehandhaafd. Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d. blz. 1-2.
Het is overigens de vraag of dit potentiële aanmerkelijkbelangverlies op het moment waarop een fictief aanmerkelijk belang ontstaat, wel kan worden genomen, gelet op de bijzondere regeling van art. 20c, zesde lid. Wet IB. Zie over deze regeling uitgebreider hoofdstuk 10, onderdeel 10.3.
Op een ter zake gestelde vraag antwoordde de staatssecretaris van Financiën in bevestigende zin. Zie het Besluit van 29 september 1997. nr. DB97/2742M. V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag E.l) inzake de doorschuiving van een verlies uit aanmerkelijk belang naar een fictief aanmerkelijkbelanghouder in geval van overlijden van de erflater. Zie tevens mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang. Fiscaal Actueel, blz. 68-71, Kluwer, Deventer, 1998.
De bij latere vervreemding van het fictieve aanmerkelijke belang te behalen aanmerkelijkbelangwinst kan blijkens HR 21 juni 1978, BNB 1978/207 niet leiden tot een op de voet van art. 60 Wet IB in aanmerking te nemen verlies uit aanmerkelijk belang (zie hoofdstuk 10, onderdeel 10.2.1).1 Dit geldt onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling op dezelfde wijze.2 Er bestaat aldus geen aanspraak op teruggaaf van belasting op grond van de aanmerke-lijkbelangverliesregeling, indien de tot het fictieve aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden vervreemd voor een prijs beneden de op grond van art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB of art. 68aa Wet IB doorgeschoven verkrijgingsprijs.3 Is overigens op het moment waarop het fictieve aanmerkelijk belang ontstaat, sprake van een potentieel verlies uit aanmerkelijk belang, dan zal doorgaans geen fictief aanmerkelijk belang ontstaan, aangezien belastingplichtigen er in dergelijke situaties veelal niet voor zullen kiezen om het aanmerkelijkbelangverlies door te schuiven.4 Wordt toch voor doorschuiving van het aanmerkelijkbelangverlies gekozen, hetzij door om doorschuiving te verzoeken (art. 20e, eerste lid, Wet IB, art. 20f, eerste lid, Wet IB, art. 20g, eerste lid, Wet IB, art. 68a, vierde lid, Wet IB, art. 68aa, vierde lid, Wet IB) hetzij door niet om afrekening te verzoeken (art. 20d, eerste lid, Wet IB), zodat een zgn. fictief aanmerkelijk belang ontstaat, dan kan dit bij beschikking vastgestelde verlies op het (latere) moment van vervreemding door de fictief-aanmerkelijkbelang-houder volledig in aanmerking worden genomen.5