Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.2:IX.5.2 Voorwaarde voor de autonome procespositie van de verdachte: een contradictoir proces, zwijgrecht en nemo tenetur
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.2
IX.5.2 Voorwaarde voor de autonome procespositie van de verdachte: een contradictoir proces, zwijgrecht en nemo tenetur
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596301:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijv. Van Toor 2017, die enerzijds verdedigt dat een strafproces slechts menswaardig is wanneer de verdachte in de gelegenheid is zijn eigen en persoonlijke verhaal uiteen te zetten en anderzijds een belangrijke rechtsgrond voor het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel ziet in die menselijke waardigheid en bijbehorende autonomie van de verdachte.
§ IV.3.2.3.
§ III.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onschuldpresumptie is niet alleen ingebed in en bevorderlijk voor centrale en algemene ideeën waarop het (publiek)recht is gebaseerd. Ook is zij van fundamenteel belang voor de specifiek strafvorderlijke uitgangspunten en verhoudingen in een moderne democratische rechtsstaat. Aan de in zo’n staat gangbare en wenselijke procespositie van het verdachte individu en zijn verhouding tot de strafvorderlijke overheid, draagt het onschuldvermoeden in belangrijke mate bij. Enkele van de in dit boek geïdentificeerde bestaansgronden voor het beginsel verwijzen dan ook naar andere waarden en beginselen die de procespositie van de verdachte dirigeren.
Hoewel strafprocedures van rechtsstelsel tot rechtsstelsel verschillen en derhalve ook de verhouding tussen de procesdeelnemers niet overal dezelfde is, hebben het IVBPR en het EVRM de procespositie van de verdachte tot op zekere hoogte gefixeerd. Een zuiver, stereotypisch inquisitoir onderzoek ter terechtzitting is tegenwoordig bijvoorbeeld ondenkbaar. Het onderzoek ter zitting dient onder meer contradictoir van karakter te zijn, waarbij een zekere gelijkheid van wapenen in acht moet worden genomen, de verdachte het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel toekomen, hij het recht heeft zich ter verdediging te doen bijstaan door een raadsman en hij tevens in staat wordt gesteld getuigen te doen horen. In deze rechten tekent zich de procespositie van de verdachte (en zijn advocaat) af. De verdachte is geen zuiver object van onderzoek, maar een autonome procespartij. Die procesautonomie draagt veelal bij aan het waarheidsgehalte van de strafprocedure, maar dat is niet het enige doel. Naast accuratesse streeft het strafproces ook procedurele rechtvaardigheid na en behoren die procedure en de betrokken overheidsfunctionarissen beschaving, fatsoen en respect voor de menselijke waardigheid van de betrokkene te betrachten. Daarin is die autonomie van de verdachte een voorname schakel.1 Voor de verwezenlijking ervan is de onschuldpresumptie op twee manieren noodzakelijk.
De behandelingsdimensie beschermt de ruimte die de verdachte in een contradictoir strafproces heeft om zijn kant van de zaak voor het voetlicht te brengen. Die ruimte krijgt hij ter terechtzitting. Kan echter voorafgaand aan de terechtzitting en dus voordat de verdachte die rechten heeft kunnen uitoefenen de schuld van de verdachte reeds als vaststaand worden aangenomen, dan neemt de strafrechtspleging zijn verhaal daarmee onvoldoende serieus. Dat doet het met de procedure betrachte fatsoen en respect teniet en doet afbreuk aan de daarin aan de verdachte toegekende rechten.2 Een beschaafd strafrecht geeft de verdachte de kans zich te verdedigen vóórdat hij als schuldige wordt aangewezen. Op deze manier is de behandelingsdimensie derhalve van waarde voor de verwezenlijking van de met het strafproces beoogde vormen van respect, fatsoen en procedurele rechtvaardigheid.
De bewijsdimensie waarborgt de keerzijde van de autonomie van de verdachte. De verdachte heeft niet alleen het recht zijn verdediging naar voren te brengen, maar ook de vrijheid dat niet te doen. Hij heeft het recht te zwijgen en de vrijheid zichzelf niet te belasten. Deze vorm van vrijheid en autonomie kan alleen beslag krijgen in een strafprocedure waarin de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie in acht wordt genomen. Een procedure waarin de bewijsvoeringslast niet op de overheid maar volledig op de verdachte rust, holt het zwijgrecht uit. Voor zover de verdachte de bewijsvoeringslast draagt, is hij immers aan zet en zal hij bij de actuele stand van het bewijs de procedure verliezen. Van vrijheid zich passief op te stellen is dan feitelijk geen sprake. Dit geldt nog sterker waar ook het bewijsrisico op de verdachte rust. Dan is zelfs niet voldoende dat hij zijn scenario omtrent het tenlastegelegde kenbaar maakt, maar zal hij dat scenario moeten bewijzen. De door de onschuldpresumptie ingegeven bewijslastverdeling faciliteert derhalve het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel en daarmee de autonomie van de verdachte om zich vrij en ongedwongen te voelen aan het strafproces al dan niet een constructieve bijdrage te leveren.3