HR, 06-03-1959
ECLI:NL:HR:1959:95
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-03-1959
- Zaaknummer
[06031959/NJ_1959-349]
- Roepnaam
Bertha
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1959:95, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑03‑1959; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1959:5
- Vindplaatsen
NJ 1959/349 met annotatie van J.H. Beekhuis
Uitspraak 06‑03‑1959
Inhoudsindicatie
Verjaringstermijn van vordering, gegrond op sleepovereenkomst, respectievelijk op aanvaring.
D.
Tegenwoordig de Heren:
Donner, President;
Boltjes,
de Jong,
Hülsmann en
Petit, Raden;
Reyers, Griffier;
Langemeijer, Procureur- Generaal.
Openbare terechtzitting van Vrijdag 6 Maart 1959.
De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No. 9257) van:
[eiser] , wonende te [plaats] , eiser tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, op 26 Maart 1958 tussen partijen gewezen, incidenteel verweerder, vertegenwoordigd door Mr. C. R. C. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad,
tegen
[verweerder] , wonende te [plaats] , verweerder in cassatie, incidenteel eiser, vertegenwoordigd door Mr. A. G. Maris, mede advocaat bij den Hogen Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie tot verwerping van beide beroepen onder compensatie van kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat op 6 Mei 1954 in de Staalhaven-Oost te IJmuiden het sleepschip Bertha, waarvan [verweerder] toen was eigenaar en gebruiker, ingevolge een tussen partijen gesloten sleepovereenkomst op een korte draad werd gesleept door de sleepboot Revenir, waarvan [eiser] toen was eigenaar en gebruiker, in aanvaring is gekomen met het motorschip Adriana;
dat [verweerder] als eiser in eerste aanleg in een bij de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam gevoerd geding de daardoor door hem geleden schade, bij dagvaarding nader omschreven, ten bedrage van f. 4.648, 60, van [eiser] heeft gevorderd, stellende:
"dat de Bertha een lading van 1294 ton slakzand had ingenomen in de Staalhaven-Noord en op 6 Mei 1954 des namiddags te 2.30 uur aldaar aan de Noordzijde tussen een paar andere schepen gelegen was met de kop naar binnen (naar het westen) en met het achterschip ongeveer twee scheepslengten van de hoek, die de Staalhaven-Noord maakt met de zogenaamde dode hoek van de Staalhaven-Oost naar het noorden;
dat de Revenir ten tijde en ter plaatse voormeld met een korte draad heeft aangemaakt op de middenachterbolder van het schip, waarop het roer in een stand van ongeveer 30° naar stuurboord werd vastgezet met de vang;
dat de Revenir de Bertha eerst over stuur met het achterschip in gemelde dode hoek van de Staalhaven-Oost zou slepen en daarna, zodra het voorschip in de Staalhaven-Oost zou zijn bijgekomen, op dit voorschip zou vastmaken teneinde de Bertha uit de Staalhaven-Oost in zuidelijke richting weg te trekken, welk een en ander aldus diende te geschieden, omdat de Bertha wegens haar lengte in de Staalhaven-Noord niet kon zwaaien;
dat aan boord van de Bertha een krabbend vooranker werd gezet, teneinde de kop stil te houden, hetwelk opgehaald diende te worden, zodra er ruimte zou zijn om het voorschip in de Staalhaven-Oost te laten bijkomen, alwaar zulks overigens toch diende te worden opgehaald wegens een aldaar liggende kabel;
dat de Revenir dadelijk met onverantwoordelijk grote snelheid is gaan trekken en deze snelheid ondanks roepen van de Bertha niet heeft verminderd, terwijl zij het achterschip in de dode hoek trok;
dat de Revenir daarbij tot overmaat van ramp de bocht zodanig nam, dat de Bertha met het achterschip schuin-dwars in de richting van een viertal schepen getrokken werd, welke in de Staalhaven-Oost aan de oostelijke wal tegenover de uitgang van de Staalhaven-Noord lagen;
dat aan boord van de Bertha te rechter tijd, - als hierboven aangegeven -, het vooranker is opgehaald;
dat intussen door het onbesuisde varen van de Revenir de vang op het roer brak, wegens het sterke schroefwater van de Revenir, zodat het roer niet meer in dezelfde stand te houden was, ondanks alle pogingen daartoe; dat de Revenir vervolgens, in stede van in de richting van het voorschip van de Bertha te trekken, - teneinde vaart uit het schip te halen -, dwars naar bakboord is gaan trekken, waardoor het schip juist nog grotere vaart heeft gekregen en met geweld met het achterschip en het roer tegen de buitenste van de vier genoemde schepen is gebotst; "
dat de Rechtbank, nadat [eiser] zich onder meer tot zijn verweer op verjaring ingevolge artikel 952, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Koophandel had beroepen, met gegrondverklaring van dit verweer in haar vonnis van 22 Februari 1957 [verweerder] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
dat op het hoger beroep van [verweerder] het Hof in zijn bestreden arrest heeft overwogen:
"dat de grieven van [verweerder] aldus zijn samen te vatten en te verstaan, dat de Rechtbank ten onrechte voormeld beroep van [eiser] op verjaring van de vordering heeft aanvaard;
"dat, al is bij dagvaarding in eerste aanleg niet gesteld dat de Bertha werd gesleept ingevolge een tussen partijen gesloten sleepovereenkomst, dit feit niettemin in de loop van het geding is komen vast te staan en het Hof daarmede rekening zal hebben te houden;
"dat de gestelde schade naar de boven weergegeven voorstelling van [verweerder] is veroorzaakt door de schuld van de Revenir; dat immers de nopens de toedracht der aanvaring gestelde feiten, indien bewezen, opleveren ernstige navigatiefouten van de Revenir;
"dat [verweerder] dus aan de Revenir verwijt schending van de, ook buiten overeenkomst, voor de Revenir geldende verplichting om in het verkeer te water zodanig te varen, dat niet aan andere schepen, ook niet aan dat van [verweerder] , schade wordt berokkend;
"dat deze verplichting voor [eiser] onverkort geldt, afgezien van schending van diens verplichtingen uit de sleepovereenkomst;
"dat, nu de stellingen van [verweerder] hierop neerkomen dat de Revenir heeft gevaren in strijd met de tegenover zijn - [verweerder] - goederen in het verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid waardoor een aanvaring werd veroorzaakt die leidde tot schade in zijn vermogen, [verweerder] gerechtigd was tot het instellen van een vordering uit onrechtmatige daad (aanvaring);
"dat die vordering bij dagvaarding van 16 April 1956 tijdig is ingesteld, immers binnen het tijdsverloop van twee jaren na de aanvaring op 6 Mei 1954;
"dat de grieven van [verweerder] mitsdien zijn gegrond en hij, met vernietiging van het vonnis a quo, alsnog in zijn vordering ontvankelijk moet worden verklaard;"
dat het Hof op die gronden het vonnis van de Rechtbank heeft vernietigd, [verweerder] ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering en, omdat partijen over de feiten streden, een getuigenverhoor heeft gelast;
dat [eiser] tegen dit arrest als middel van cassatie aanvoert:
"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1269, 1275, 1279, 1282, 1303, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1983 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 748, 780, 782, 925, 929, 930, 931, 932, 936, 937, 938, 952, 953 van het Wetboek van Koophandel,
door met vernietiging van het vonnis van de Rechtbank [verweerder] in zijn vordering ontvankelijk te verklaren, na het door [eiser] gedaan beroep op verjaring ingevolge de bepaling van artikel 952 4° van het Wetboek van Koophandel te hebben verworpen,
ten onrechte en in strijd met de aangehaalde wetsartikelen,
a) omdat het Hof [verweerder] ten onrechte gerechtigd acht tot het instellen van een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] , hoewel werd overwogen dat de ernstige navigatiefouten, waarop [verweerder] zich beroept, tevens schending opleveren van de door [eiser] jegens [verweerder] aangegane contractuele verplichtingen der tussen partijen gesloten sleepovereenkomst,
ten onrechte omdat de wet de rechtsgevolgen, verbonden aan de niet nakoming als de onderhavige der contractuele verplichtingen ener sleepovereenkomst bindt aan een verjaringstermijn van één jaar en [verweerder] niet bevoegd is deze aan zijn vordering gestelde beperking ter zijde te stellen door op deze aanvaring, c.q. schuld aan deze aanvaring een vordering wegens onrechtmatige daad te baseren waarvan de verjaringstermijn 2 jaar bedraagt,
b) omdat de feiten, waarop [verweerder] zich had beroepen opleverden schuld van de sleepboot en mitsdien een vordering van [verweerder] tegen [eiser] op grond van de, door het Hof als vaststaand aanvaarde sleepovereenkomst wettigen, en de voor laatstbedoelde vordering geldende verjaringstermijn van een jaar ook geldt, wanneer de feiten, waarop de eiser zijn vordering grondt, niet alleen tot een vordering uit de sleepovereenkomst, doch mede tot een andere vordering, met name uit onrechtmatige daad en/of aanvaring aanleiding kunnen geven, en zulk een andere vordering is ingesteld;"
dat [verweerder] in incidenteel beroep tegen het arrest als middel van cassatie aanvoert:
"Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 1269, 1275, 1279, 1282, 1302, 1303, 1349, 1355, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1637, 1637b, 1637c, 1640, 1649, 1653, 1983 en 2004 van het Burgerlijk Wetboek, 748, 780, 782, 925, 929, 930, 931, 932, 936, 937, 938, 952 en 953 van het Wetboek van Koophandel, 48, 59, 332, 339, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Rechterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet,
door in deze zaak te overwegen en recht te doen, gelijk in het arrest is omschreven,
ten onrechte,
omdat, waar in het onderhavige geval een aanvaring in de zin van Boek II titel 13, achtste afdeling, van het Wetboek van Koophandel heeft plaatsgevonden, de op zodanige aanvaring toepasselijke wetsartikelen ten deze bij uitsluiting toepasselijk zijn en [verweerder] slechts op grond van deze wetsartikelen een vordering tot schadevergoeding tegen [eiser] vermocht in te stellen, hetgeen niet anders wordt en kan worden als gevolg van het feit, dat de Bertha werd gesleept ingevolge tussen partijen gesloten sleepovereenkomst, hebbende deze omstandigheid in het bijzonder niet tot gevolg, dat [verweerder] ter zake van de betreffende aanvaring een vordering tot schadevergoeding op grond van de sleepovereenkomst tegen [eiser] vermocht in te stellen, en evenmin dat bij de toepassing van de wetsartikelen op het stuk van aanvaring de schending van [eiser] verplichtingen uit de sleepovereenkomst buiten beschouwing behoort te blijven, aangezien de wetsartikelen op het stuk van aanvaring in geval van aanvaring bij uitsluiting toepasselijk zijn en de schuldvraag met inachtneming van alle omstandigheden aan de hand van de wettelijke, contractuele en andere in aanmerking komende verplichtingen beantwoord behoort te worden; "
Overwegende aangaande de middelen van cassatie:
dat naar 's Hofs in cassatie niet bestreden oordeel [eiser] door zijn wijze van varen - indien het daaromtrent gestelde juist mocht blijken - jegens [verweerder] aansprakelijk is uit hoofde van aanvaring, ook al zou hij daardoor tevens zijn verplichtingen uit de sleepovereenkomst jegens [verweerder] hebben geschonden;
dat [verweerder] in zijn incidentele beroep in het cassatiemiddel stelt, dat het Hof te dezen ten onrechte een vordering uit hoofde van de sleepovereenkomst mogelijk heeft geacht, aangezien de toepasselijkheid van de achtste afdeling (van aanvaring) die van de zevende afdeling (van het slepen van binnenschepen) van den dertienden titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel uitsluit;
dat dit betoog niet juist is; dat, indien iemand op grond van zekere feiten zowel ter zake van aanvaring als uit hoofde van een door hem gesloten sleepovereenkomst aansprakelijk kan worden gesteld, de wederpartij mag kiezen op welk van beide aansprakelijkheden hij een rechtsvordering wil bouwen; dat een vordering uit de sleepovereenkomst slechts dan uitgesloten zou zijn, indien de achtste afdeling dit zou voorschrijven of onvermijdelijk meebrengen; dat dit echter niet het geval is;
dat het incidentele beroep derhalve moet worden ver worpen;
dat in het principale beroep [eiser] heeft aangevoerd, dat het beroep op de verjaring van één jaar, in artikel 952, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Koophandel voor vorderingen uit sleepovereenkomst geregeld, ten onrechte ter zijde is gesteld, nu te dezen de rechtsvordering ter zake van aanvaring is uitgesloten (onderdeel a van het cassatiemiddel) of wel onderworpen is aan de verjaringstermijn van één jaar (onderdeel b);
dat onderdeel a moet worden verworpen, omdat de artikelen 952 en 953 van het Wetboek van Koophandel slechts regelen omtrent de verjaring geven en niets behelzen over den samenloop van de in de artikelen bedoelde rechtsvorderingen;
dat, wat onderdeel b betreft, artikel 952 niet bepaalt of meebrengt, dat indien zekere feiten zowel een rechtsvordering wegens aanvaring als een uit hoofde van een sleepovereenkomst wettigen eerstbedoelde vordering aan den verjaringstermijn van de tweede is onderworpen; dat dit ook bezwaarlijk in het artikel bepaald zou kunnen zijn, omdat de wetgever bij de totstandbrenging daarvan gebonden was door het Geneefse verdrag van 9 December 1930 tot vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende aanvaring in de binnenscheepvaart, goedgekeurd bij de Wet van 24 Juni 1939, Staatsblad no. 24, welk verdrag in artikel 8 bepaalt, dat rechtsvorderingen tot schadevergoeding in twee jaren verjaren;
dat het middel mitsdien niet kan slagen;
Verwerpt zowel het principale als het incidentele beroep;
Compenseert de kosten in cassatie gevallen, nu partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld.
Gedaan bij de Heren Donner, President, Boltjes, de Jong, Dubbink en Petit, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den zesden Maart 1900 negen en vijftig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.