HR, 06-03-1959, nr. 9257
ECLI:NL:PHR:1959:5
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-03-1959
- Zaaknummer
9257
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:1959:5, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑03‑1959
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1959:95
Conclusie 06‑03‑1959
Inhoudsindicatie
Verjaringstermijn van vordering, gegrond op sleepovereenkomst, respectievelijk op aanvaring. Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR-zaaknummer 9257 aan de hand van de in NJ 1959/349 opgenomen tekst daarvan. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
Conclusie Proc .- Gen. Mr. Langemeijer.
Het betreft hier een actie van de eigenaar van een gesleept schip tegen de sleepbootexploitant, strekkende tot vergoeding van beweerdelijk door ernstige fouten bij het slepen veroorzaakte schade. Omstreden was onder meer de vraag, of hier toepasselijk was de eenjarige verjaring van vorderingen uit sleepovereenkomst (art. 952, lid 1 onder 4 van het W. v. K.), welke voltooid zou zijn geweest, dan wel de tweejarige verjaring van vorderingen uit aanvaring (art. 953, lid 1 onder 1), die nog niet was vervuld. Het Hof heeft in laatstgenoemde zin beslist, op grond dat hier de gestelde feiten niet enkel niet-behoorlijke uitvoering van de sleepovereenkomst, maar ook een onrechtmatige daad, namelijk een aanvaring, zouden opleveren.
Het principale middel stelt hier tegenover dat, nu er hier in ieder geval een actie ter zake van wanprestatie bij de sleepovereenkomst ter beschikking van verweerder stond, die gebonden was aan een verjaringstermijn van één jaar, een vordering uit onrechtmatige daad hem niet, of althans niet na verloop van dat jaar, toekwam.
Wat het middel dus niet betwist is, dat de gestelde feiten de constructie van het gebeurde als onrechtmatige daad, in de bijzondere vorm van aanvaring, zouden toelaten. Het is m.i. te betreuren - zowel voor de beoordeling van het geval als voor de verheldering van een moeilijk vraagstuk, die de beslissing zou kunnen brengen - dat het middel niet van wijder strekking is, niet in het algemeen betwist dat de gestelde feiten, gegeven de sleepovereenkomst, tevens een onrechtmatige daad konden opleveren.
De heersende leer op dit gebied toch is nog geenszins tot volkomen helderheid gekomen. De laatstelijk in Uw arrest van 9 Dec. 1955, N. J. 1956, no. 157 aanvaarde formule: dat de beide acties dan ter keuze staan, wanneer het gestelde ook onafhankelijk van de schending van contractuele verplichtingen een onrechtmatige daad oplevert, laat mogelijkheden voor uiteenlopende toepassingen over. Men zou zich nu zeer wel kunnen voorstellen, dat verband zou bestaan tussen de wijze, waarop men de mogelijkheid van alternatieve beschikking over beide acties omgrenst, en de invloed, die men toekent aan een eventueel verschillende verjaringstermijn. Men zal toch bezwaar kunnen gevoelen tegen het instellen van een andere vordering met langere verjaring in plaats van de contractuele, wanneer wat er in concreto geschied is „in wezen" typisch wanpraestatie is, terwijl men hetzelfde bezwaar niet behoeft te erkennen in die gevallen, waar inderdaad het voorgevallene trekken vertoont, waarbij men aanstonds aan onrechtmatige daad zal denken, ongeacht of er tevens een overeenkomst in geding is. Het is echter duidelijk, dat de vraag, in welke juridische formule van voldoende scherpte deze tegenstelling behoort te worden gegoten, geenszins een eenvoudige is. Ook zou in het onderhavige geval een beschouwingswijze, die daarin niet een onrechtmatige daad zou herkennen, welke zich als het ware van de wanpraestatie zou laten isoleren, mij geenszins reeds aanstonds onaannemelijk voorkomen. Door de beperkte formulering van het cassatiemiddel echter is Uw Raad gedwongen ervan uit te gaan, dat, zo niet het verschil in verjaringstermijn er was, tegen een vordering uit aanvaring zich niets zou laten inbrengen.
Wellicht is de reden van deze terughouding van de eiser tot cassatie deze, dat hij in zijn memorie van grieven dit eigenlijk heeft toegegeven en dus thans niet meer over een oordeel in die geest van het Hof kan klagen (vgl. Uw arresten van 27 Juni 1952, N. J. 1953, no. 60 en 29 Maart 1957, N. J. 1957, no. 500). Door de geëerde pleiter voor verweerder is zelfs gesteld, dat als gevolg van bedoelde processuele houding van eiser hetzelfde zou gelden voor de primaire stelling van het middel van cassatie. Immers, zo betoogde hij, eiser heeft als geïntimeerde geheel in het algemeen geen verweer meer gevoerd omtrent de vraag, of hier
een actie uit onrechtmatige daad mogelijk was, en heeft daarmede dus eigenlijk ook reeds de stelling prijsgegeven, dat zulk een vordering, hoewel op grond van de gestelde feiten denkbaar, was uitgesloten als gevolg van het verschil in verjaringstermijn. Mij dunkt, dat dit inderdaad juist is. Alleen het subsidiaire deel van het principale middel zal dus naar mijn mening ten toets kunnen komen. Het verschilt overigens praktisch van het primaire zo weinig, dat ik beide te zamen kan bespreken.
Ik geloof dan niet, dat het middel, gegeven de onaantastbaarheid van het uitgangspunt, waarover ik zo even sprak, kan worden aanvaard. Indien men als uitgangspunt neemt, dat de feiten het beeld van een voor eisers rekening komende aanvaring vertonen, ook los van zijn contractuele gebondenheid, dan zie ik geen enkele reden, waarom de rechten, die verweerder aan die feiten ontleent, in tijdsduur een anders niet geldende beperking zouden behoren te ondergaan, op de enkele grond, dat tussen de schuldige en hemzelf tevens een sleepovereenkomst bestond. Een redenering, met behulp waarvan deze stelling uit letter, geest of systeem van de als geschonden aangehaalde wetsartikelen zou kunnen worden afgeleid, heb ik in het betoog van de geëerde pleiter voor eiser niet vermogen te beluisteren. Als rechtspraak riep hij slechts in het arrest van het Hof te Arnhem, dat kenbaar is uit Uw arrest van 16 Nov. 1956, N. J. 1957, no. 619 (met ook voor ons onderwerp, dat in cassatie niet aan de orde was, belangrijke noot van D. J. V.). Daar echter berustte het oordeel van het Hof op de uit een bijzondere, korte verjaringstermijn blijkende bedoeling van de wetgever om bepaalde geschillen niet na lange tijd aan de orde te zien komen, terwijl de concurrerende actie slechts aan de gewone verjaringstermijn van dertig jaren onderworpen was. In het onderhavige geval spreekt deze redenering veel minder sterk, nu de wetgever ook voor aanvaring een bijzondere termijn heeft vastgesteld. Uit de literatuur althans de Nederlandse - in landen met verwante wetgeving wordt het gehele onderwerp veelal anders beschouwd - citeerde pleiter dan slechts een betrekkelijk terloopse opmerking bij Wolfsbergen, Onrechtmatige Daad, blz. 207, waarvan men de kracht eigenlijk slechts zou kunnen beoordelen, indien zou blijken, hoe deze auteur de kring van gevallen, waar keus van contracts- en delictsactie bestaat, precies zou hebben willen omgrenzen.
Bovenal echter is althans de primaire stelling van het middel reeds implicite verworpen bij Uw arrest van 28 Juni 1957, N. J. 1957, no. 514. Immers, zou Uw Raad aan de ten gunste van die stelling aangevoerde redenering kracht toekennen, dan had hij in dat geval niet tot bestaanbaarheid van de actie uit onrechtmatige daad op grond van feiten, die ook een Pauliana zouden rechtvaardigen, kunnen komen.
Als (niet voorwaardelijk) incidenteel middel heeft verweerder het volkomen tegendeel van het principale middel gesteld, namelijk dat in een geval als dit juist de bepalingen omtrent de vordering ter zake van aanvaring bij uitsluiting van toepassing zouden zijn. Dit is een stelling, die niet licht praktische betekenis zal kunnen hebben. Immers door de regeling van de aanvaring zullen de posita bij beide acties in het algemeen dezelfde zijn, terwijl voor het overige de delictsactie, ook uit het oogpunt van preferentie, slechts voordelen biedt, zodat niet licht een eiser er belang bij zal hebben bij voorkeur uit de sleepovereenkomst te ageren. Indien echter bij uitzondering een dergelijk belang zou bestaan - men zou bij voorbeeld kunnen denken aan de wens om een voor lange duur gesloten sleepovereenkomst wegens wanpraestatie te doen ontbinden - vermag ik, in dezelfde geest als mijn betoog omtrent het principale middel, niet in te zien, dat er grond zou zijn ten nadele van degene, die met een sleepbootondernemer heeft gecontracteerd, de daaruit voortvloeiende rechten te besnoeien, enkel omdat de wanpraestatie van zijn wederpartij juist de gedaante van een aanvaring heeft aangenomen.
Ik concludeer tot verwerping van beide beroepen onder compensatie van kosten.