Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.E.1.g:g. Overige genoemde aspecten
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.E.1.g
g. Overige genoemde aspecten
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476152:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1, lid 1, onderdeel g WILG. Zie tevens onderdeel H.3 van dit hoofdstuk.
Zie nader onderdeel B.2 van dit hoofdstuk.
Stb. 2009, 397 p. 6.
Zie tevens onderdeel A.4.c van dit hoofdstuk, waar eveneens een ‘fictie’ werd geconstateerd.
Zie tevens mijn kanttekeningen t.a.v. de parallel met het begrip ‘fictie’ in onderdeel A.4.c van dit hoofdstuk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nota van Toelichting besteedt tot slot nog aandacht aan een aantal overige aspecten van de kavelruil, namelijk:
het begrip ‘blok’ uit de herverkaveling1 is op kavelruil niet van toepassing;
de minister gaat niet in op het voorstel van de KNB om, ter bevordering van de rechtszekerheid, de summiere toetredersregeling van artikel 85 lid 2 WILG nader te verduidelijken;2
de afstand tussen de te ruilen kavels en de vraag of sprake is van een samenhangend landbouwgebied zijn voor het instrument kavelruil niet van belang.
Ten aanzien van het laatste punt wordt in de Nota van Toelichting bij artikel 31a BILG het volgende vermeld:
‘De afstand tussen de te ruilen percelen is niet relevant. Bij een kavelruil waarbij over grotere afstand wordt geruild, is op grond van artikel 16 Wilg sprake van een verbetering van de inrichting van het landelijk gebied, als wordt voldaan aan artikel 85 en artikel 31a Bilg.’3
Preller ontwaart hier (wederom) een parallel met het (fiscale) fenomeen ‘fictiebepaling’.4 Zodra voldaan is aan artikel 85 WILG en artikel 31a BILG, wordt, net als bij een ‘gewone’ kavelruil het geval is, ook als gevolg van een ‘lange afstands-kavelruil’ de inrichting van het landelijk gebied geacht te zijn verbeterd. Ook op deze plaats zij opgemerkt dat het in mijn opinie de voorkeur verdient indien de wetgever in de WILG expliciet zou bepalen dat de objectieve verbeteringseis van artikel 16 WILG voor de kavelruil niet van toepassing is. ‘Kunstgrepen’ met ‘quasi-ficties’ zijn dan niet nodig.5