Procestaal: Frans.
HvJ EU, 16-07-2020, nr. C-133/19, nr. C-136/19, nr. C-137/19
ECLI:EU:C:2020:577
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-07-2020
- Magistraten
A. Prechal, L. S. Rossi, J. Malenovský, F. Biltgen, N. Wahl
- Zaaknummer
C-133/19
C-136/19
C-137/19
- Conclusie
G. Hogan
- Roepnaam
Belgische Staat (Regroupement familial – Enfant mineur)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:577, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑07‑2020
ECLI:EU:C:2020:222, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑03‑2020
Uitspraak 16‑07‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Immigratiebeleid — Recht op gezinshereniging — Richtlijn 2003/86/EG — Artikel 4, lid 1 — Begrip ‘minderjarig kind’ — Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Belangen van het kind — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Kinderen van de gezinshereniger die meerderjarig zijn geworden tijdens de beslissingsprocedure of de gerechtelijke procedure tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om gezinshereniging’
A. Prechal, L. S. Rossi, J. Malenovský, F. Biltgen, N. Wahl
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-133/19, C-136/19 en C-137/19*,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissingen van 31 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 19 februari 2019 (C-133/19) en 20 februari 2019 (C-136/19 en C-137/19), in de procedures
B. M. M. (C-133/19 en C-136/19),
B. S. (C-133/19),
B. M. (C-136/19),
B. M. O. (C-137/19)
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, L. S. Rossi (rapporteur), J. Malenovský, F. Biltgen en N. Wahl, rechters,
advocaat-generaal: G. Hogan,
griffier: M. Krausenböck, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 januari 2020,
gelet op de opmerkingen van:
- —
B. M. M., B. S., B. M. en B. M. O., vertegenwoordigd door A. Van Vyve, advocaat,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, C. Pochet en C. Van Lul als gemachtigden, bijgestaan door E. Derriks, G. van Witzenburg en M. de Sousa Marques E Silva, advocaten,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Kanitz en J. Möller als gemachtigden,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll als gemachtigde,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en M. Condou-Durande als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 maart 2020,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003, L 251, blz. 12) en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen B. M. M. (C-133/19 en C-136/19), B. S. (C-133/19), B. M. (C-136/19) en B. M. O. (C-137/19), Guineese staatsburgers, enerzijds, en de Belgische Staat, anderzijds, over de afwijzing van verzoeken om afgifte van een visum met het oog op gezinshereniging.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 2, 4, 6, 9 en 13 van richtlijn 2003/86 luiden als volgt:
- ‘(2)
Maatregelen op het gebied van gezinshereniging moeten in overeenstemming zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren, die in veel internationale rechtsinstrumenten wordt opgelegd. In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name worden erkend in artikel 8 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden] en in het [Handvest].
[…]
- (4)
Gezinshereniging is een noodzakelijk middel om een gezinsleven mogelijk te maken en draagt bij tot de vorming van een sociaal-culturele stabiliteit die de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten bevordert, hetgeen bovendien de mogelijkheid biedt de economische en sociale samenhang te versterken, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap die in het Verdrag is vastgelegd.
[…]
- (6)
Om de bescherming van het gezin te waarborgen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven voort te zetten of op te bouwen, moeten, op basis van gemeenschappelijke criteria, de materiële voorwaarden worden vastgesteld voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging.
[…]
- (9)
De leden van het kerngezin, dat wil zeggen de echtgenoot en de minderjarige kinderen, hebben steeds recht op gezinshereniging.
[…]
- (13)
Het is van belang procedures in te stellen voor de behandeling van verzoeken tot gezinshereniging alsook voor de toegang en het verblijf van gezinsleden. Deze procedures moeten doelmatig zijn en naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen worden afgehandeld, en bovendien doorzichtig en billijk zijn, teneinde de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden.’
4
Artikel 1 van richtlijn 2003/86 is als volgt geformuleerd:
‘Het doel van deze richtlijn is de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven.’
5
Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden:
- a)
de echtgenoot van de gezinshereniger;
- b)
de minderjarige kinderen van de gezinshereniger en diens echtgenoot, met inbegrip van kinderen die zijn geadopteerd overeenkomstig een beslissing van de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat, dan wel overeenkomstig een beslissing die van rechtswege uitvoerbaar is uit hoofde van internationale verplichtingen van die lidstaat of die in overeenstemming met internationale verplichtingen moet worden erkend;
- c)
de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
- d)
de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de echtgenoot, indien de echtgenoot het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd.
De in dit artikel bedoelde minderjarige kinderen moeten jonger dan de in de betrokken lidstaat geldende wettelijke meerderjarigheidsleeftijd en ongehuwd zijn.
[…]’
6
Artikel 5 van die richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten bepalen of het verzoek tot toegang en verblijf in het kader van het recht op gezinshereniging door de gezinshereniger dan wel door het gezinslid of de gezinsleden bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat moet worden ingediend.
- 2.
Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook van gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden.
Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht.
[…]
- 4.
Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk negen maanden na de datum van indiening van een verzoek, stellen de bevoegde instanties van de lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, schriftelijk in kennis van de ten aanzien van hem genomen beslissing.
In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van het verzoek, kan de in de eerste alinea genoemde termijn verlengd worden.
Een eventuele beslissing tot afwijzing van het verzoek wordt gemotiveerd. Gevolgen van het uitblijven van een beslissing bij het verstrijken van de in de eerste alinea genoemde termijn moeten bij de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat worden geregeld.
- 5.
Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van minderjarige kinderen.’
7
In artikel 16, leden 1 en 2, van die richtlijn staat te lezen:
- ‘1.
De lidstaten kunnen in de volgende gevallen het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of, in voorkomend geval, de verblijfstitel van een gezinslid intrekken of weigeren te verlengen:
- a)
wanneer de in deze richtlijn gestelde voorwaarden niet of niet meer worden vervuld.
[…]
- 2.
De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat:
- a)
er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt;
[…]’
8
Artikel 18 van richtlijn 2003/86 luidt als volgt:
‘De lidstaten waarborgen dat de gezinshereniger en/of de leden van zijn gezin het recht heeft/hebben beroep in te stellen in geval van afwijzing van een verzoek tot gezinshereniging, van intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel of in geval van een verwijderingsmaatregel.
De betrokken lidstaten bepalen op welke manier en op grond van welke bevoegdheid het in de eerste alinea genoemde recht wordt uitgeoefend.’
Belgisch recht
9
Artikel 10, § 1, eerste alinea, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 1980, blz. 14584), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: ‘wet van 15 december 1980’), bepaalt:
‘Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven:
[…]
- 4o.
de volgende familieleden van een vreemdeling die sedert minimaal twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of sedert minimaal twaalf maanden gemachtigd is om er zich te vestigen. Die termijn van twaalf maanden vervalt indien de echtelijke band of het geregistreerde partnerschap reeds bestond voor de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of indien zij een gemeenschappelijk minderjarig kind hebben of indien het familieleden betreft van een vreemdeling die erkend is als vluchteling of die de subsidiaire bescherming geniet:
- —
de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap gesloten werd dat als gelijkwaardig beschouwd wordt met het huwelijk in België, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar wanneer, naargelang het geval, de echtelijke band of dit geregistreerd partnerschap, reeds bestond vóór de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam;
- —
hun kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn;
- —
de kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en de kinderen ten laste zijn van hem of diens echtgenoot of deze geregistreerde partner en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven;
[…]’
10
Artikel 10 ter, § 3, van deze wet luidt:
‘De minister of zijn gemachtigde kunnen beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te verwerpen, […] hetzij indien de vreemdeling […] valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen heeft gebruikt (die van doorslaggevend belang zijn geweest) voor het bekomen van die machtiging […].’
11
Artikel 12 bis van die wet bepaalt het volgende:
- ‘§ 1.
De vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, moet zijn aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland.
[…]
- § 2. […]
De datum voor het indienen van de aanvraag is die waarop alle bewijzen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd.
De beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, getroffen en betekend. […]
In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, […] kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig [de vijfde alinea], moet de toelating tot verblijf verstrekt worden.
[…]
- § 7.
In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.’
12
Artikel 39/56, eerste alinea, van de wet van 15 december 1980 luidt:
‘De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen (België)] worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat B. M. M., een derdelander die in België de status van vluchteling heeft, op 20 maart 2012 namens en voor rekening van zijn minderjarige kinderen — B. S., B. M. en B. M. O. — aanvragen voor een machtiging tot verblijf met het oog op gezinshereniging heeft ingediend bij de Belgische ambassade te Conakry (Guinee), die gebaseerd waren op artikel 10, § 1, eerste alinea, punt 4, derde streepje, van de wet van 15 december 1980. Deze aanvragen zijn afgewezen op 2 juli 2012.
14
Op 9 december 2013 heeft B. M. M. namens en voor rekening van zijn minderjarige kinderen — B. S., B. M. en B. M. O. — nieuwe aanvragen voor een machtiging tot verblijf ingediend bij de Belgische ambassade te Dakar (Senegal), die gebaseerd waren op dezelfde bepalingen van de wet van 15 december 1980.
15
Bij drie besluiten van 25 maart 2014 hebben de bevoegde Belgische instanties deze aanvragen voor een machtiging tot verblijf afgewezen overeenkomstig artikel 10 ter, § 3, van de wet van 15 december 1980, op grond dat B. S., B. M. en B. M. O. valse of misleidende informatie hadden verstrekt, valse of vervalste documenten hadden gebruikt, of anderszins fraude hadden gepleegd of onwettige middelen hadden gebruikt om de aangevraagde machtigingen te verkrijgen. Wat B. S. en B. M. O. betreft, hebben deze autoriteiten er namelijk op gewezen dat zij in hun aanvraag voor een machtiging tot verblijf de respectieve geboortedata 16 maart 1999 en 20 januari 1996 hadden opgegeven, terwijl B. M. M. in zijn asielaanvraag had verklaard dat hun respectieve geboortedata 16 maart 1997 en 20 januari 1994 waren. Met betrekking tot B. M. O. hebben die instanties benadrukt dat B. M. M. in zijn asielaanvraag niet naar het bestaan van dit kind had verwezen.
16
Toen deze besluiten tot afwijzing op 25 maart 2014 werden genomen, waren B. S. en B. M. volgens de verklaringen van verzoekers in het hoofdgeding nog steeds minderjarig, terwijl B. M. O. meerderjarig was geworden.
17
Tegen die besluiten tot afwijzing hebben B. M. M. en B. S. (zaak C-133/19), B. M. M. en B. M. (zaak C-136/19) en B. M. O. (zaak C-137/19) op 25 april 2014 beroepen tot schorsing en nietigverklaring ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bij brieven van 10 september 2015, 7 januari 2016 en 24 oktober 2017 hebben betrokkenen deze rechterlijke instantie verzocht uitspraak te doen op hun beroepen.
18
Bij uitspraken van 31 januari 2018 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. Na in herinnering te hebben gebracht dat volgens vaste nationale rechtspraak het belang van een verzoeker moet bestaan op het tijdstip waarop hij een vordering instelt en moet blijven bestaan totdat er uitspraak is gedaan, heeft deze rechterlijke instantie opgemerkt dat, indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluiten tot afwijzing nietig zouden worden verklaard en de bevoegde Belgische instanties de aanvragen voor een machtiging tot verblijf opnieuw zouden moeten behandelen, deze aanvragen in casu in geen geval zouden kunnen worden ingewilligd, aangezien B. S., B. M. en B. M. O., zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de in deze aanvragen genoemde geboortedata, inmiddels meerderjarig waren geworden en dus niet langer voldeden aan de voorwaarden die in de bepalingen inzake gezinshereniging voor minderjarige kinderen zijn vastgesteld.
19
Verzoekers hebben cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State (België). Zij betogen in wezen dat de uitlegging door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten eerste schending van het doeltreffendheidsbeginsel van het Unierecht oplevert, voor zover B. S., B. M. en B. M. O. daardoor het in artikel 4 van richtlijn 2003/86 gewaarborgde recht op gezinshereniging wordt ontzegd, en ten tweede hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte schendt doordat hun de mogelijkheid wordt ontnomen om beroep in te stellen tegen de besluiten tot afwijzing die in het hoofdgeding aan de orde zijn, terwijl die besluiten — wat de zaken C-133/19 en C-136/19 betreft — werden vastgesteld én aangevochten toen verzoekers nog minderjarig waren.
20
Dienaangaande heeft de Raad van State opgemerkt dat het Hof in zijn arrest van 12 april 2018, A en S (C-550/16, EU:C:2018:248), heeft geoordeeld dat artikel 2, onder f), van richtlijn 2003/86, juncto artikel 10, lid 3, onder a), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een derdelander of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en van indiening van zijn asielverzoek in die staat minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als ‘minderjarige’ in de zin van deze bepaling.
21
De verwijzende rechter benadrukt echter dat de zaak die tot dit arrest heeft geleid, verschilt van de zaken in het hoofdgeding, aangezien deze laatste geen betrekking hebben op een minderjarige aan wie de status van vluchteling is verleend. Aangezien richtlijn 2003/86 voorziet in een termijn voor de vaststelling van een beslissing aangaande een verzoek om gezinshereniging, hangt het recht op gezinshereniging daarenboven niet af van de snelheid waarmee dat verzoek wordt behandeld. In casu werden de besluiten tot afwijzing die in het hoofdgeding aan de orde zijn, in ieder geval vastgesteld binnen de termijn van artikel 12 bis, § 2, van de wet van 15 december 1980.
22
In die omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
In de zaken C-133/19 en C-136/19:
- ‘1)
Dient artikel 4 van richtlijn [2003/86], teneinde de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen en de uitoefening van het recht op gezinshereniging, welk recht volgens verzoekster door die bepaling aan haar wordt toegekend, niet onmogelijk te maken, aldus te worden uitgelegd dat het kind van een gezinshereniger aanspraak kan maken op het recht op gezinshereniging wanneer het tijdens de gerechtelijke procedure tegen het besluit waarbij dat kind dit recht wordt geweigerd, welk besluit is genomen toen het kind nog minderjarig was, meerderjarig wordt?
- 2)
Dienen artikel 47 van het [Handvest] en artikel 18 van richtlijn [2003/86] aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld tegen de weigering om een minderjarig kind een recht op gezinshereniging toe te kennen, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden, aangezien dit het kind de mogelijkheid zou ontnemen een uitspraak te verkrijgen op zijn beroep tegen dat besluit en zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou aantasten?’
In zaak C-137/19:
‘Moet artikel 4, lid 1, [eerste alinea], onder c), van richtlijn [2003/86], in voorkomend geval juncto artikel 16, lid 1, van dezelfde richtlijn, aldus worden uitgelegd dat van een derdelander wordt vereist dat hij niet alleen op het tijdstip waarop een verzoek om een verblijfsvergunning wordt ingediend, maar ook op het tijdstip waarop de administratie uiteindelijk over dat verzoek beslist, ‘minderjarig’ moet zijn?’
23
Bij beslissing van de president van het Hof van 12 maart 2019 zijn de zaken C-133/19, C-136/19 en C-137/19 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 en enige vraag in zaak C-137/19
24
Met zijn eerste vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 alsmede met zijn vraag in zaak C-137/19 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat de datum die als uitgangspunt moet worden genomen om te bepalen of een ongehuwde derdelander of staatloze een ‘minderjarig kind’ in de zin van deze bepaling is, de datum is waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging voor minderjarigen wordt ingediend, dan wel de datum waarop door de bevoegde instanties van deze lidstaat op dit verzoek wordt beslist, in voorkomend geval na een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek.
25
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat richtlijn 2003/86 het bevorderen van de gezinshereniging tot doel heeft en voorts bescherming aan derdelanders wil verlenen, met name aan minderjarigen (arrest van 13 maart 2019, E., C-635/17, EU:C:2019:192, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
In dit verband legt artikel 4, lid 1, van die richtlijn de lidstaten nauwkeurige positieve verplichtingen op, waaraan duidelijk omschreven subjectieve rechten beantwoorden. Zij dienen in de door richtlijn 2003/86 vastgestelde gevallen de gezinshereniging van bepaalde leden van het gezin van de gezinshereniger toe te staan zonder hun beoordelingsmarge te kunnen uitoefenen (arrest van 13 maart 2019, E., C-635/17, EU:C:2019:192, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Volgens artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86 moet de betrokken lidstaat onder meer toestemming tot toegang en verblijf geven aan de volgende gezinsleden: ‘de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen’.
28
Artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2003/86 vermeldt in dit opzicht weliswaar dat minderjarige kinderen jonger moeten zijn dan de in de betrokken lidstaat geldende wettelijke meerderjarigheidsleeftijd, maar deze bepaling preciseert niet welk tijdstip als uitgangspunt moet worden genomen om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan en bevat daartoe geen verwijzing naar het recht van de lidstaten.
29
Hoewel die bepaling het aan de lidstaten overlaat om de wettelijke meerderjarigheidsleeftijd te bepalen, wordt hun daarentegen geen enkele speelruimte gelaten ten aanzien van de vaststelling van het tijdstip dat als uitgangspunt moet worden genomen voor de beoordeling van de leeftijd van de aanvrager voor de toepassing van artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86.
30
Met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling dient namelijk als algemene regel te gelden dat de begrippen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Europese Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling (arrest van 26 juli 2017, Ouhrami, C-225/16, EU:C:2017:590, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Zoals in punt 25 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft richtlijn 2003/86 tot doel de gezinshereniging te bevorderen. Daartoe bepaalt deze richtlijn, zoals in artikel 1 ervan is gepreciseerd, de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door derdelanders die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven.
32
Voorts worden in die richtlijn, zoals blijkt uit overweging 2 ervan, de in het Handvest vastgelegde grondrechten en beginselen in acht genomen.
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten, en met name hun rechterlijke instanties, niet alleen hun nationale recht conform het Unierecht moeten uitleggen, maar ook erop moeten toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een tekst van afgeleid recht die in conflict zou komen met de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten (zie in die zin arresten van 23 december 2009, Detiček, C-403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 34, en 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 78).
34
Artikel 7 van het Handvest, dat rechten omvat die overeenstemmen met de door artikel 8, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde rechten, erkent met name het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Deze bepaling van het Handvest moet worden gelezen in samenhang met de verplichting om rekening te houden met de in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belangen van het kind en in aanmerking te nemen dat, overeenkomstig artikel 24, lid 3, een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders moet kunnen onderhouden (arrest van 6 december 2012, O e.a., C-356/11 en C-357/11, EU:C:2012:776, punt 76).
35
Hieruit volgt dat de bepalingen van richtlijn 2003/86 moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van overweging 2 en artikel 5, lid 5, van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten de verzoeken om gezinshereniging moeten onderzoeken in het belang van de betrokken kinderen en teneinde het gezinsleven te begunstigen (arrest van 13 maart 2019, E., C-635/17, EU:C:2019:192, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de uitlegging volgens welke de datum waarop de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat beslist op het verzoek om toegang tot en verblijf op het grondgebied van deze staat met het oog op gezinshereniging, voor de toepassing van artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86 als uitgangspunt moet dienen voor de beoordeling van de leeftijd van de aanvrager, niet strookt met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen, noch met de vereisen die voortvloeien uit artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest. Laatstgenoemde bepaling vereist immers dat bij alle handelingen in verband met kinderen, met name die welke door de lidstaten bij de toepassing van die richtlijn worden verricht, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen.
37
Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zouden de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties daardoor immers niet worden aangemoedigd om verzoeken van minderjarigen met voorrang en de nodige urgentie te behandelen teneinde rekening te houden met hun kwetsbaarheid, en zouden zij dus zo kunnen optreden dat het recht op zich op gezinshereniging van die minderjarigen in het gedrang kan komen (zie naar analogie arrest van 12 april 2018, A en S, C-550/16, EU:C:2018:248, punt 58).
38
In casu blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat B. M. M. op 9 december 2013 namens en voor rekening van zijn minderjarige kinderen B. S., B. M. en B. M. O. aanvragen voor een machtiging tot verblijf met het oog op gezinshereniging heeft ingediend bij de Belgische ambassade te Dakar en dat deze aanvragen op 25 maart 2014 zijn afgewezen binnen de door de Belgische wettelijke regeling gestelde termijnen.
39
Terwijl B. M. M., B. S., B. M. en B. M. O. op 25 april 2014 beroepen tot schorsing en nietigverklaring tegen deze besluiten tot afwijzing hebben ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en zij deze rechterlijke instantie in de jaren 2015 tot en met 2017 herhaaldelijk hebben verzocht uitspraak te doen op hun beroepen, staat het vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die beroepen pas op 31 januari 2018, oftewel drie jaar en negen maanden nadat zij waren ingesteld, niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang, waarbij hij zich heeft gebaseerd op het feit dat op de datum waarop hij uitspraak deed, B. S., B. M. en B. M. O. meerderjarig waren en dus niet meer voldeden aan de voorwaarden die in de bepalingen inzake gezinshereniging van minderjarige kinderen zijn gesteld.
40
Dienaangaande moet worden benadrukt dat dergelijke behandelingstermijnen in België niet uitzonderlijk lijken, aangezien de gemiddelde termijn waarbinnen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak doet over geschillen inzake gezinshereniging, drie jaar bedraagt, zoals de Belgische regering tijdens de terechtzitting heeft opgemerkt. Voorts heeft de Belgische regering gepreciseerd dat de zaak van verzoekers in het hoofdgeding door deze rechterlijke instantie niet als prioritair werd beschouwd.
41
De in het vorige punt genoemde omstandigheden zijn een illustratie van het feit dat een uitlegging van artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86 volgens welke de datum waarop de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat beslist op het verzoek om toegang tot en verblijf op het grondgebied van deze staat, voor de toepassing van deze bepaling als uitgangspunt moet worden genomen voor de beoordeling van de leeftijd van de aanvrager, niet kan waarborgen dat overeenkomstig artikel 24, lid 2, van het Handvest de belangen van het kind in alle omstandigheden voor de lidstaten een essentiële overweging vormen bij de toepassing van richtlijn 2003/86.
42
In de tweede plaats kan met een dergelijke uitlegging evenmin, overeenkomstig de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid, een gelijke en voorzienbare behandeling worden gewaarborgd van alle aanvragers die zich in chronologisch opzicht in dezelfde situatie bevinden, voor zover zij tot gevolg heeft dat de slaagkansen van het verzoek om gezinshereniging voornamelijk afhankelijk worden van factoren die verband houden met de nationale overheidsinstantie of rechterlijke instanties, met name de snelheid die bij de behandeling van het verzoek aan de dag wordt gelegd of waarmee uitspraak wordt gedaan op een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek, en niet van factoren die verband houden met de aanvrager (zie naar analogie arrest van 12 april 2018, A en S, C-550/16, EU:C:2018:248, punten 55 en 60).
43
Voor zover die uitlegging tot gevolg heeft dat het recht op gezinshereniging afhankelijk wordt gemaakt van toevallige en onvoorzienbare omstandigheden die volledig zijn toe te rekenen aan de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat, kan zij daarenboven leiden tot aanzienlijke verschillen in de behandeling van verzoeken om gezinshereniging tussen de lidstaten en binnen een en dezelfde lidstaat.
44
Om te bepalen of is voldaan aan de leeftijdsvoorwaarde van artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86, is derhalve alleen de inaanmerkingneming van de datum van indiening van het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn en de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten. Het doet in dit verband niet ter zake of op dit verzoek rechtstreeks na de indiening ervan is beslist, dan wel na de nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van dat verzoek.
45
Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door het argument dat de Belgische regering en de Poolse regering in hun schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, volgens hetwelk de lidstaten op grond van artikel 16, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/86 kunnen weigeren toestemming tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging te geven wanneer de voorwaarden voor verlening van de toestemming ‘niet of niet meer worden vervuld’. Volgens deze regeringen kan het verzoek om gezinshereniging in wezen slechts worden ingewilligd indien de gezinshereniger zowel op de datum van indiening van het verzoek als op de datum waarop de beslissing op dit verzoek wordt genomen, minderjarig is.
46
In dit verband zij opgemerkt dat de leeftijd van de aanvrager niet kan worden beschouwd als een materiële voorwaarde voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging in de zin van overweging 6 en artikel 1 van richtlijn 2003/86, zoals de voorwaarden die zijn gesteld in met name hoofdstuk IV van deze richtlijn. Anders dan deze laatste voorwaarden vormt de leeftijdsvoorwaarde namelijk een noodzakelijke voorwaarde om het verzoek om gezinshereniging in behandeling te nemen, waarvan de evolutie zeker en voorzienbaar is en die dus enkel op de datum van indiening van dit verzoek dient te worden beoordeeld.
47
Bijgevolg dient op de eerste vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 en op de enige vraag in zaak C-137/19 te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat de datum die als uitgangspunt moet worden genomen om te bepalen of een ongehuwde derdelander of staatloze een minderjarig kind in de zin van deze bepaling is, de datum is waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging voor minderjarige kinderen wordt ingediend en niet die waarop door de bevoegde instanties van deze lidstaat op dit verzoek wordt beslist, in voorkomend geval na een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek.
Tweede vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19
48
Met zijn tweede vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 18 van richtlijn 2003/86, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een beroep dat is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging ten behoeve van een minderjarig kind, niet-ontvankelijk wordt verklaard op de enkele grond dat het kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.
49
Dienaangaande blijkt ten eerste uit het dossier waarover het Hof beschikt dat deze vraag berust op de premisse dat een minderjarig kind dat meerderjarig is geworden tijdens de gerechtelijke procedure die was ingeleid tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om gezinshereniging, geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van dat besluit, zodat zijn beroep noodzakelijkerwijs moet worden verworpen door de bevoegde rechter.
50
Zoals volgt uit het antwoord op de eerste vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 en op de enige vraag in zaak C-137/19, is die premisse onjuist, zodat in de in het vorige punt bedoelde situatie een dergelijk verzoek om gezinshereniging niet kan worden afgewezen op de enkele grond dat het betrokken kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.
51
Ten tweede moet worden opgemerkt dat artikel 5, lid 4, van richtlijn 2003/86 weliswaar voorziet in een termijn van in beginsel negen maanden waarbinnen de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek om gezinshereniging heeft ingediend, in kennis moeten stellen van de ten aanzien van hem genomen beslissing, maar de rechter waarbij beroep is ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek, niet verplicht om binnen een bepaalde termijn uitspraak te doen.
52
Overeenkomstig artikel 18 van deze richtlijn dienen de lidstaten evenwel te waarborgen dat de gezinshereniger of zijn gezinsleden het recht heeft/hebben beroep in te stellen tegen een dergelijk besluit en dienen de lidstaten te bepalen op welke manier en op grond van welke bevoegdheid dit recht wordt uitgeoefend.
53
Hoewel deze bepaling de lidstaten dus een zekere handelingsmarge laat, met name bij de vaststelling van de regels inzake de behandeling van een beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om gezinshereniging, zij opgemerkt dat de lidstaten ondanks deze handelingsmarge bij de uitvoering van richtlijn 2003/86 gehouden zijn tot eerbiediging van artikel 47 van het Handvest, dat eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte biedt (arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626, punt 55).
54
Zoals de advocaat-generaal in de punten 42 en 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, impliceert artikel 18 van richtlijn 2003/86, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, dat de nationale rechtsmiddelen die de gezinshereniger en zijn gezinsleden in staat stellen hun recht uit te oefenen om beroep in te stellen tegen beslissingen tot afwijzing van een verzoek om gezinshereniging, doeltreffend en reëel moeten zijn.
55
Een dergelijk beroep kan derhalve niet niet-ontvankelijk worden verklaard op de enkele grond dat het betrokken kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.
56
Voorts kan, anders dan is betoogd door bepaalde lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om gezinshereniging niet worden gebaseerd op de vaststelling — zoals in casu — dat de betrokken personen geen belang meer hebben bij een beslissing van de aangezochte rechter.
57
Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat een derdelander wiens verzoek om gezinshereniging is afgewezen, zelfs nadat hij meerderjarig is geworden nog belang heeft bij een uitspraak ten gronde van de rechter waarbij het beroep tegen deze afwijzing is ingesteld, aangezien in bepaalde lidstaten een dergelijke rechterlijke beslissing noodzakelijk is opdat de verzoeker met name een schadevordering tegen de betrokken lidstaat kan instellen.
58
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag in de zaken C-133/19 en C-136/19 worden geantwoord dat artikel 18 van richtlijn 2003/86, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat het beroep tegen de afwijzing van een verzoek van een minderjarig kind om gezinshereniging niet-ontvankelijk wordt verklaard op de enkele grond dat het kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.
Kosten
59
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging moet aldus worden uitgelegd dat de datum die als uitgangspunt moet worden genomen om te bepalen of een ongehuwde derdelander of staatloze een minderjarig kind in de zin van deze bepaling is, de datum is waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging voor minderjarige kinderen wordt ingediend en niet die waarop door de bevoegde instanties van deze lidstaat op dit verzoek wordt beslist, in voorkomend geval na een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek.
- 2)
Artikel 18 van richtlijn 2003/86, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat het beroep tegen de afwijzing van een verzoek van een minderjarig kind om gezinshereniging niet-ontvankelijk wordt verklaard op de enkele grond dat het kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2020
Conclusie 19‑03‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Recht op gezinshereniging — Richtlijn 2003/86/EG — Artikel 4 — Begrip ‘minderjarige’ — Artikel 18 — Recht om beroep in te stellen in geval van afwijzing van een verzoek om gezinshereniging — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Onderdanen van een derde land die op het tijdstip van indiening van hun verzoek om gezinshereniging minder dan 18 jaar oud waren — Bereiken van de meerderjarigheid gedurende de administratieve procedure — Bereiken van de meerderjarigheid gedurende de gerechtelijke procedure — Beslissende datum om te bepalen of de belanghebbenden de status van ‘minderjarige’ hebben’
G. Hogan
Partij(en)
Gevoegde zaken C-133/19, C-136/19 en C-137/191.
B. M. M.,
B. S. (C-133/19)
B. M. M.,
B. M. (C-136/19)
B. M. O. (C-137/19)
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Zoals in artikel 23, lid 1, van het Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten van 1969 is vastgesteld, vormt ‘[h]et gezin […] de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij’. Dit rechtsbeginsel weerspiegelt enkel de gemeenplaats dat vrijwel alle menselijke samenlevingen gebouwd zijn rond het gezin, ook al kent het gezinsleven diverse vormen en uiteenlopende samenstellingen. Het idee dat kinderen — uitzonderingen die bedoeld zijn om hun welzijn te waarborgen daar gelaten — recht hebben op de zorg en het gezelschap van hun ouders is echter diep geworteld in de juridische, culturele en morele tradities van alle lidstaten.
2.
Dit komt tot uiting in het concept van gezinshereniging, dat zelf een belangrijk kenmerk van het moderne internationale humanitaire recht is. In het kader van het Unierecht is dit beginsel vastgelegd in richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging2., die het mogelijk maakt dat gezinsleden — en met name minderjarigen — zich in het gastland vestigen en zich bij een familielid voegen dat in die staat als vluchteling is erkend.
3.
Dit is de achtergrond van deze prejudiciële verwijzingen, die betrekking hebben op de uitlegging van richtlijn 2003/86 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’). In wezen stellen deze verwijzingen de vraag aan de orde of kinderen die op de datum van hun verzoek om gezinshereniging nog minderjarig waren, hiertoe blijvend als minderjarige moeten worden behandeld, ook als zij later, in de loop van de administratieve procedure betreffende hun verzoek (C-137/19) of gedurende de daaropvolgende gerechtelijke procedure (C-133/19 en C-136/19) meerderjarig worden.
4.
De onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing vloeien voort uit een procedure bij de Raad van State (België) tussen enerzijds B.M.M. en B.S. (C-133/19), B.M.M. en B.M. (C-136/19) en B.M.O. (C-137/19) (hierna: ‘verzoekers’) en anderzijds de staatssecretaris voor Asiel en Migratie (België) en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) waarbij verzoekers elk beroep hebben ingesteld.
5.
De procedure bij de verwijzende rechter in zaak C-137/19 heeft in wezen betrekking op de uitlegging van het begrip ‘minderjarige’ in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2003/86, en op de vraag of dit begrip aldus moet worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land slechts als ‘minderjarige’ geldt indien hij niet alleen op de datum van zijn verzoek om toegang tot en verblijf in een lidstaat, maar ook op de datum waarop de overheid van die lidstaat uiteindelijk over zijn verzoek beslist, een ‘minderjarige’ is.
6.
De procedure bij de verwijzende rechter in zaken C-133/19 en C-136/19 betreft de vraag of artikel 47 van het Handvest en artikel 18 van richtlijn 2003/86 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een beroep tot nietigverklaring tegen een administratief besluit, waarbij een minderjarig kind het recht op gezinshereniging wordt geweigerd, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden, aangezien dit het kind de mogelijkheid zou ontnemen om beroep tegen dat besluit in te stellen, wat zijn of haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou aantasten.
7.
Alvorens in te gaan op deze juridische kwesties, moeten evenwel eerst de relevante wettelijke bepalingen worden weergegeven.
A. Recht van de Europese Unie
1. Handvest
8.
Artikel 47 van het Handvest bepaalt:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.’
2. Richtlijn 2003/86
9.
In de overwegingen 2, 4, 6 en 13 van richtlijn 2003/86 staat te lezen:
- ‘(2)
Maatregelen op het gebied van gezinshereniging moeten in overeenstemming zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren, die in veel internationale rechtsinstrumenten wordt opgelegd. In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name worden erkend in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
[…]
- (4)
Gezinshereniging is een noodzakelijk middel om een gezinsleven mogelijk te maken en draagt bij tot de vorming van een sociaal-culturele stabiliteit die de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten bevordert, hetgeen bovendien de mogelijkheid biedt de economische en sociale samenhang te versterken, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap die in het Verdrag is vastgelegd.
[…]
- (6)
Om de bescherming van het gezin te waarborgen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven voort te zetten of op te bouwen, moeten, op basis van gemeenschappelijke criteria, de materiële voorwaarden worden vastgesteld voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging.
[…]
- (13)
Het is van belang procedures in te stellen voor de behandeling van verzoeken tot gezinshereniging alsook voor de toegang en het verblijf van gezinsleden. Deze procedures moeten doelmatig zijn en naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen worden afgehandeld, en bovendien doorzichtig en billijk zijn, teneinde de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden.’
10.
Artikel 4 van die richtlijn bepaalt het volgende:
- ‘1.
De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden:
- a)
de echtgenoot van de gezinshereniger;
- b)
de minderjarige kinderen van de gezinshereniger en diens echtgenoot, met inbegrip van kinderen die zijn geadopteerd overeenkomstig een beslissing van de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat, dan wel overeenkomstig een beslissing die van rechtswege uitvoerbaar is uit hoofde van internationale verplichtingen van die lidstaat of die in overeenstemming met internationale verplichtingen moet worden erkend;
- c)
de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd;
- d)
de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de echtgenoot, indien de echtgenoot het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd.
[…]
- 6.
Bij wijze van uitzondering kunnen de lidstaten verlangen dat verzoeken om gezinshereniging met betrekking tot minderjarige kinderen worden ingediend voordat deze kinderen 15 jaar oud zijn, zoals bepaald wordt in de bestaande wetgeving op de datum waarop deze richtlijn toegepast wordt. Indien het verzoek wordt ingediend nadat de leeftijd van 15 jaar is bereikt, geven de lidstaten die besluiten deze afwijking toe te passen, voor deze kinderen toestemming tot toegang en verblijf om andere redenen dan gezinshereniging.’
11.
Artikel 5 van die richtlijn bepaalt het volgende:
- ‘1.
De lidstaten bepalen of het verzoek tot toegang en verblijf in het kader van het recht op gezinshereniging door de gezinshereniger dan wel door het gezinslid of de gezinsleden bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat moet worden ingediend.
- 2.
Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook van gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden.
Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht.
[…]
- 4.
Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk negen maanden na de datum van indiening van een verzoek, stellen de bevoegde instanties van de lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, schriftelijk in kennis van de ten aanzien van hem genomen beslissing.
In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van het verzoek, kan de in de eerste alinea genoemde termijn verlengd worden.
Een eventuele beslissing tot afwijzing van het verzoek wordt gemotiveerd. Gevolgen van het uitblijven van een beslissing bij het verstrijken van de in de eerste alinea genoemde termijn moeten bij de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat worden geregeld.
- 5.
Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van minderjarige kinderen.’
12.
Artikel 16, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt:
‘De lidstaten kunnen in de volgende gevallen het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of, in voorkomend geval, de verblijfstitel van een gezinslid intrekken of weigeren te verlengen:
- a)
wanneer de in deze richtlijn gestelde voorwaarden niet of niet meer worden vervuld.
[…]’
13.
Artikel 18 van richtlijn 2003/86 bepaalt:
‘De lidstaten waarborgen dat de gezinshereniger en/of de leden van zijn gezin het recht heeft/hebben beroep in te stellen in geval van afwijzing van een verzoek tot gezinshereniging, van intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel of in geval van een verwijderingsmaatregel.
De betrokken lidstaten bepalen op welke manier en op grond van welke bevoegdheid het in de eerste alinea genoemde recht wordt uitgeoefend.’
B. Nationaal recht
14.
Artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 is in Belgisch recht omgezet bij artikel 10, § 1, eerste alinea, punt 4, van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980 (hierna: ‘wet van 15 december 1980’)3. dat, zoals het in casu van toepassing is4., bepaalt als volgt:
‘Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven:
[…]
- 4o.
de volgende familieleden van een vreemdeling die sedert minimaal twaalf maanden toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of sedert minimaal twaalf maanden gemachtigd is om er zich te vestigen:
- —
de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap gesloten werd dat als gelijkwaardig beschouwd wordt met het huwelijk in België, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar wanneer, naargelang het geval, de echtelijke band of dit geregistreerd partnerschap, reeds bestond vóór de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam;
- —
hun kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn;
- —
de kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en de kinderen ten laste zijn van hem of diens echtgenoot of deze geregistreerde partner en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven’.
15.
In artikel 10 ter, § 3, van diezelfde wet wordt bepaald:
‘De minister of zijn gemachtigde kunnen beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te verwerpen, […] hetzij indien de vreemdeling […] valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen (heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van die machtiging) […].’
16.
Artikel 12 bis van die wet zet artikel 5 van richtlijn 2003/86 om in Belgisch recht. In de versie die in casu van toepassing is, bepaalt dat artikel het volgende:
- ‘§ 1.
De vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, moet zijn aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland.
[…]
- § 2.
[…] De datum voor het indienen van de aanvraag is die waarop alle bewijzen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd.
De beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste negen maanden volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, getroffen en betekend.
In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, […] kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het vierde lid, moet de toelating tot verblijf verstrekt worden.
[…]
- § 7.
In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.’
17.
Artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 bepaalt:
‘De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang.
[…]’
II. Feiten van het hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing
18.
Verzoekers in het hoofdgeding hebben op 20 maart 2012 bij de ambassade van België in Conakry (Guinee) gezinsherenigingsvisa aangevraagd als minderjarige kinderen van een onderdaan van een derde land die in België de status van vluchteling heeft. Die verzoeken zijn bij besluit van 2 juli 2012 afgewezen.
19.
Op 9 december 2013 hebben verzoekers een tweede verzoek ingediend bij de ambassade van België in Dakar, Senegal. Op dat moment waren verzoekers respectievelijk 14, 15 en 17 jaar oud.
20.
Deze verzoeken zijn op 25 maart 2014 door de staatssecretaris afgewezen op grond dat verzoekers in de zaken C-133/19 en C-137/19 in hun visumaanvragen, gestaafd met hun geboorteakten, de respectieve geboortedata 16 maart 1999 en 20 januari 1996 hadden opgegeven, terwijl hun vader in zijn asielaanvraag in België had verklaard dat hun respectieve geboortedata 16 maart 1997 en 20 januari 1994 waren. In zaak C-136/19 had verzoekster gesteld dat zij de dochter van de gezinshereniger was, terwijl de gezinshereniger in zijn asielaanvraag nooit naar haar bestaan had verwezen.
21.
Toen deze besluiten tot afwijzing van de verzoeken werden genomen, waren verzoekers in de zaken C-133/19 en C-136/19 nog steeds minderjarig, terwijl verzoeker in zaak C-137/19 inmiddels meerderjarig was geworden.
22.
Verzoekers hebben deze tweede besluiten aangevochten bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) door middel van drie op 25 april 2014 ingeleide beroepen tot nietigverklaring.
23.
Bij twee besluiten van 31 januari 2018 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vorderingen van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. Naar het oordeel van deze rechterlijke instantie moet het belang van een verzoeker bestaan op het moment dat een vordering wordt ingesteld en blijven bestaan totdat er een uitspraak is gegeven. Die Raad was van mening dat indien de betrokken besluiten nietig zouden worden verklaard en verweerder het verzoek opnieuw zou moeten behandelen, deze slechts zou kunnen concluderen dat de visumaanvraag niet-ontvankelijk was, aangezien alle verzoekers ouder dan 18 jaar waren en dus niet langer zouden voldoen aan de voorwaarden die in de bepalingen inzake gezinshereniging voor minderjarigen zijn vastgesteld. In dit verband moet echter worden opgemerkt dat er bijna vier jaar zijn verstreken tussen de afwijzing van het tweede verzoek en het daaropvolgende besluit van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat de kinderen intussen meerderjarig waren geworden.
24.
Verzoekers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld bij de Raad van State, waarbij zij ten eerste betogen dat de uitlegging door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schending van het doeltreffendheidsbeginsel van het Unierecht oplevert, voor zover hun daardoor het recht op gezinshereniging in de zin van artikel 4 van richtlijn 2003/86 is ontzegd. Ten tweede hebben zij aangevoerd dat een dergelijke uitlegging ook hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte schendt doordat hun de mogelijkheid wordt ontnomen om beroep in te stellen tegen de administratieve besluiten waarbij hun recht op gezinshereniging niet werd erkend, terwijl die besluiten werden vastgesteld — én aangevochten — toen verzoekers nog minderjarig waren.
25.
In zijn beslissingen van 31 januari 2019 heeft de Raad van State opgemerkt dat het Hof recentelijk in zijn arrest van 12 april 2018, A en S (C-550/16, EU:C:2018:248), heeft geoordeeld dat artikel 2, aanhef en onder f), van richtlijn 2003/86 juncto artikel 10, lid 3, onder a), daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land of een staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en van indiening van zijn asielverzoek in die staat minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, niettemin moet worden gekwalificeerd als ‘minderjarige’ in de zin van die bepaling.
26.
Volgens de verwijzende rechter verschilt de zaak die tot dit arrest heeft geleid echter van de zaken in het hoofdgeding aangezien deze laatste geen betrekking hebben op een minderjarige die de erkende status van ‘vluchteling’ heeft. Bovendien is, in tegenstelling tot de feiten van dat arrest, in casu de erkenning van het recht op gezinshereniging niet afhankelijk van ‘de snelheid waarmee het verzoek wordt behandeld’5., aangezien de besluiten van 25 maart 2014 werden vastgesteld binnen de termijn die daartoe is voorzien in artikel 12 bis, § 2, van de wet van 15 december 1980.
27.
In die omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaken geschorst en in elk van de bij hem aanhangig gemaakte beroepen het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
28.
In de zaken C-133/19 en C-136/19 heeft de Raad van State de volgende vragen overgelegd:
- ‘1)
Dient artikel 4 van [richtlijn 2003/86], teneinde de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen en de uitoefening van het recht op gezinshereniging, welk recht volgens verzoekster door die bepaling aan haar wordt toegekend, niet onmogelijk te maken, aldus te worden uitgelegd dat het kind van een gezinshereniger aanspraak kan maken op het recht op gezinshereniging wanneer het tijdens de gerechtelijke procedure tegen het besluit waarbij dat kind dit recht wordt geweigerd, welk besluit is genomen toen het kind nog minderjarig was, meerderjarig wordt?
- 2)
Dienen artikel 47 van het [Handvest] en artikel 18 van [richtlijn 2003/86] aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld tegen de weigering om een minderjarig kind een recht op gezinshereniging toe te kennen, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden, aangezien dit het kind de mogelijkheid zou ontnemen een uitspraak te verkrijgen op zijn beroep tegen dat besluit en zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou aantasten?’
29.
In zaak C-137/19 heeft de Raad van State de volgende vraag overgelegd:
‘Moet artikel 4, lid 1, onder c), van van [richtlijn 2003/86], in voorkomend geval juncto artikel 16, lid 1, van dezelfde richtlijn, aldus worden uitgelegd dat van een onderdaan van een derde land wordt vereist dat hij niet alleen op het tijdstip waarop een verzoek om een verblijfsvergunning wordt ingediend, maar ook op het tijdstip waarop de administratie uiteindelijk over dat verzoek beslist, ‘minderjarig’ moet zijn?’
30.
Op 30 januari 2020 is voor het Hof een hoorzitting gehouden waarop verzoekers, de Belgische regering en de Europese Commissie vertegenwoordigd waren.
III. Analyse
31.
Misschien is het goed om eerst te zeggen dat niets in deze conclusie moet worden opgevat als een beoordeling van de individuele verzoeken ten gronde. Het is duidelijk dat de staatssecretaris er niet van overtuigd was dat de gegevens met betrekking tot de betrokken geboortedata van verzoekers in respectievelijk C-133/19 en C-137/19 correct waren of dat verzoekster in C-136/19 inderdaad de dochter van haar gezinshereniger was. De beoordeling van deze feitelijke zaken staat volledig aan de nationale autoriteiten en rechters.
32.
De juridische kwestie die hier aan de orde is, gaat over een aparte vraag, namelijk of verzoekers het recht hebben om te worden behandeld als minderjarigen in de zin van richtlijn 2003/86, ook al zijn zij meerderjarig geworden op het tijdstip waarop het bestuur op hun verzoek om gezinshereniging heeft beslist (C-137/19), dan wel in de loop van de gerechtelijke procedure tegen het besluit van de staatssecretaris houdende afwijzing van hun verzoek om hereniging C-133/19 en C-136/19).
33.
Opgemerkt zij ook dat de uitzondering in artikel 4, lid 6, van richtlijn 2003/86, volgens welke de lidstaten kunnen ‘verlangen dat verzoeken om gezinshereniging met betrekking tot minderjarige kinderen worden ingediend voordat deze kinderen 15 jaar oud zijn, zoals bepaald wordt in de bestaande wetgeving op de datum waarop deze richtlijn toegepast wordt’, niet van toepassing lijkt te zijn in het Koninkrijk België, maar dat het uiteindelijk aan de nationale rechter staat om dat na te gaan.
34.
Voor de behandeling van deze vraag kan het nuttig zijn te beginnen met een onderzoek van de beslissing van het Hof in de zaak A en S6., die de nationale rechter in zijn verwijzingsbeslissing heeft aangehaald. In de zaak A en S waren verzoekers twee Eritrese staatsburgers die opkwamen tegen de weigering van de Nederlandse autoriteiten om aan A en S (en hun drie minderjarige zonen) een voorlopige verblijfsvergunning te verlenen voor gezinshereniging met hun minderjarige dochter. De dochter was als alleenstaande minderjarige naar Nederland gekomen. Zij had in februari 2014 asiel aangevraagd en werd in juni 2014 meerderjarig. In oktober 2014 had de staatssecretaris haar een ‘verblijfsvergunning asiel’ verleend met een geldigheidsduur van vijf jaar en met terugwerkende kracht tot de datum van indiening van het asielverzoek.
35.
In december 2014 werd een verzoek tot gezinshereniging ingediend voor haar ouders en drie minderjarige broers, maar dat verzoek werd uiteindelijk afgewezen omdat de dochter op de datum van indiening van het verzoek al meerderjarig was. Na een prejudiciële verwijzing van de Nederlandse rechter heeft het Hof ten slotte geoordeeld dat richtlijn 2003/86 in wezen aldus moet worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land die op het tijdstip van indiening van zijn asielverzoek minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als ‘minderjarige’ in de zin van de bepalingen betreffende gezinshereniging van die richtlijn.
36.
Het is misschien nuttig om op te merken dat deze conclusie van het Hof onder meer berustte op de volgende redenen:
‘Afgezien daarvan zou een dergelijke uitlegging, in plaats van de nationale autoriteiten aan te moedigen verzoeken om internationale bescherming van alleenstaande minderjarigen met voorrang te behandelen teneinde rekening te houden met hun bijzondere kwetsbaarheid — welke mogelijkheid thans uitdrukkelijk wordt geboden door artikel 31, lid 7, onder b), van [richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60)] — juist het tegenovergestelde effect kunnen hebben, doordat zij ingaat tegen het zowel door deze richtlijn als door [richtlijn 2003/86 en richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)] nagestreefde doel om ervoor te zorgen dat, overeenkomstig artikel 24, lid 2, van het [Handvest], het belang van het kind bij de toepassing van die richtlijnen inderdaad de eerste overweging voor de lidstaten vormt.
Voorts zou deze uitlegging het voor een alleenstaande minderjarige die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, absoluut onvoorzienbaar maken of hij in aanmerking zal komen voor het recht op gezinshereniging met zijn ouders, hetgeen de rechtszekerheid zou kunnen ondermijnen.’7.
37.
Het Hof vervolgde:
‘Daarentegen kan, wanneer met het oog op de toepassing van artikel 10, lid 3, onder a), van richtlijn 2003/86 voor de beoordeling van de leeftijd van een vluchteling de datum van indiening van het verzoek om internationale bescherming als uitgangspunt wordt genomen, een gelijke en voorzienbare behandeling worden gewaarborgd van alle verzoekers die zich in chronologisch opzicht in dezelfde situatie bevinden, doordat zo wordt verzekerd dat de slaagkansen van het verzoek om gezinshereniging voornamelijk afhangen van factoren die verband houden met de verzoeker en niet met de betrokken overheidsinstantie, zoals de behandelingsduur van het verzoek om internationale bescherming of van de aanvraag voor gezinshereniging […].’8.
38.
Het Hof had in dat arrest eerder opgemerkt dat de opzet van de richtlijn met betrekking tot minderjarigen ‘de lidstaten geen enkele speelruimte laat’, en dat ‘uit het ontbreken van elke verwijzing in dit verband naar het nationale recht volgt […] dat het niet ter beoordeling van de lidstaten zelf kan worden gelaten om dat tijdstip te bepalen’.9.
39.
Mijns inziens zijn deze overwegingen ook min of meer rechtstreeks van toepassing op deze zaken. Het is natuurlijk waar dat er, zoals de Raad van State in de verwijzingsbeslissing heeft opgemerkt, enkele belangrijke feitelijke verschillen zijn tussen deze zaak en de zaak A en S. In tegenstelling tot het minderjarige kind in die laatste zaak, heeft geen van de kinderen in casu de vluchtelingenstatus verkregen. Zelf denk ik echter niet dat deze verschillen bepalend zijn voor de onderhavige gevallen. Veeleer ben ik van mening dat de beginselen die ten grondslag liggen aan de zaak A en S zeer relevant zijn voor het oplossen van de uitleggingskwesties die in deze procedures aan de orde zijn. Ik kom om de volgende redenen tot deze slotsom.
40.
In de eerste plaats geldt net als in de zaak A en S dat elke uitlegging van richtlijn 2003/86 die de datum van indiening van het betrokken verzoek als uitgangspunt neemt, verzekert dat de slaagkansen van het verzoek om gezinshereniging voornamelijk afhangen van factoren die, zoals het Hof heeft opgemerkt, ‘verband houden met de verzoeker’.10. Anders gezegd, indien de vraag of de verzoeker minderjarig was met het oog op gezinshereniging wordt beoordeeld aan de hand van zijn of haar leeftijd op de datum van het betrokken verzoek, verzekert deze uitlegging van richtlijn 2003/86 dat het resultaat van elk verzoek om gezinshereniging niet afhankelijk is van onvoorspelbaarheden zoals de datum waarop de administratieve instantie een besluit over het verzoek heeft genomen of, indien dat het geval is, de daaropvolgende vertragingen die in het rechtsstelsel — dan wel het administratieve systeem — zijn ingebed.
41.
Ik ben me er terdege van bewust dat, zoals de Raad van State ook heeft aangegeven, de staatssecretaris op 25 maart 2014 — dus binnen de door de Belgische wet gestelde termijn — een beslissing heeft genomen over het verzoek tot gezinshereniging. Maar dat is niet helemaal het punt. De verzoekers hadden naar Belgisch recht uiteraard het recht om tegen het besluit van de staatssecretaris beroep in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ze konden niet weten hoe lang die Raad de zaak zou behandelen en wanneer juist hij uitspraak zou doen; hun wettelijke rechten en aanspraken mochten dus niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop dit precies zou plaatsvinden. Als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijvoorbeeld in februari 2017 — ongeveer drie jaar na het oorspronkelijke besluit — een beslissing had genomen, zou een van de verzoekers nog steeds minderjarig zijn geweest. Het valt nauwelijks vol te houden dat het recht van de verzoeker op wettige hereniging kan afhangen van het tijdstip waarop een rechterlijke instantie (of, in voorkomend geval, een bestuursorgaan) toevallig een beslissing neemt, mits die verzoeker natuurlijk minderjarig was op de datum van het desbetreffende verzoek om gezinshereniging.
42.
In dit verband kan ook worden opgemerkt dat artikel 18 van richtlijn 2003/86 uitdrukkelijk het recht van de gezinshereniger en het lid van zijn gezin garandeert om ‘beroep in te stellen in geval van afwijzing van een verzoek tot gezinshereniging […]’. Aangenomen mag worden dat de Europese wetgever dit recht daadwerkelijk heeft bedoeld als een recht met rechtstreekse werking en meer bepaald dat deze procedure niet als niet-ontvankelijk mag worden afgewezen, enkel omdat de kinderen in kwestie vervolgens in de loop van de procedure meerderjarig zijn geworden.
43.
Zoals het Hof eerder in de zaak A en S heeft verklaard, kan een andere uitlegging van de richtlijn er bovendien toe bijdragen dat de nationale autoriteiten niet worden aangemoedigd verzoeken om internationale bescherming van kwetsbare minderjarigen te behandelen met de voorrang die dergelijke verzoeken vereisen, en dus zo kunnen optreden dat de wettelijke aanspraken op gezinshereniging van die minderjarige verzoekers in het gedrang kunnen komen.11. Een dergelijke situatie zou indruisen tegen een van de doelstellingen van artikel 24, lid 2, van het Handvest, namelijk dat bij de toepassing van richtlijn 2003/86 de belangen van het kind in de praktijk een essentiële overweging moeten vormen voor de lidstaten. Hierbij merk ik ook op dat de vertegenwoordiger van verzoekers ter terechtzitting van 30 januari 2020 als antwoord op een vraag van een lid van het Hof zonder tegenspraak heeft verklaard dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hun had laten weten dat hun zaak niet als prioritair werd beschouwd.
44.
Deze algemene slotsom wordt ook onderbouwd door enige nadere beschouwing van de beginselen die ten grondslag liggen aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest. Zoals zowel het Hof12. als zijn rechterlijke zusterinstantie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)13., met betrekking tot respectievelijk artikel 47 van het Handvest en artikel 6, lid 1, en artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft benadrukt, impliceert het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat de nationale rechtsmiddelen doeltreffend en reëel moeten zijn, en niet louter illusoir en theoretisch. Daaruit volgt dat deze rechtsmiddelen coherent moeten zijn en niet mogen leiden tot willekeurige of onverdedigbare gevolgen.
45.
Dit zou echter het geval zijn indien het resultaat van het recht van beroep van verzoekers tegen de beslissing van de staatssecretaris om hun geen verblijfsvergunning voor gezinshereniging te verlenen, zou afhangen van hun persoonlijke status — dus van de vraag of ze nog minderjarig waren of intussen meerderjarig waren geworden — op de datum van de behandeling van het beroep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
IV. Conclusie
46.
Om de bovengenoemde redenen geef ik het Hof in overweging om op de door de Raad van State (België) overgelegde vragen het volgende één enkele antwoord te geven:
‘Artikel 2, onder f), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land die op het tijdstip van de indiening van zijn verzoek om gezinshereniging in een lidstaat minder dan 18 jaar oud was maar die tijdens de gerechtelijke procedure tegen de afwijzing van dat verzoek meerderjarig wordt, niettemin als ‘minderjarige’ in de zin van die bepaling moet worden gekwalificeerd.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑03‑2020
Oorspronkelijke taal: Engels.
PB 2003, L 251, blz. 12.
Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584.
Zoals gewijzigd bij de wet van 15 september 2006 (hierna: ‘wet van 15 september 2006’).
Zie arrest van 12 april 2018, A en S (C-550/16, EU:C:2018:248, punt 55).
Arrest van 12 april 2018 (C-550/16, EU:C:2018:248).
Punten 58 en 59 van het arrest.
Punt 60 van het arrest.
Punt 45 van het arrest.
Zie arrest van 12 april 2018, A en S (C-550/16, EU:C:2018:248, punt 60).
Zie in die zin arrest van 12 april 2018, A en S (C-550/16, EU:C:2018:248, punt 58).
Arrest van 29 juli 2019, Torubarov (C-556/17, EU:C:2019:626, punt 57).
Zie met name EHRM, 5 april 2018, Zubac tegen Kroatië (CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, § 77 en §§ 97–99), en ERHRM, 10 september 2010, MacFarlane tegen Ierland (CE:ECHR:2010:0910JUD003133306, § 112).