Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.1
5.1 Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS482578:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Van Rhijn 1969, p. 17-27.
Van Rhijn was onder meer voorzitter van de commissie die op 19 september 1947 een rapport uitbracht met een ontwerp Wet op de ondernemingsraden.
Wet van 5 september 1979, Stb. 1979, 448.
Indien de ondernemer en de ondernemingsraad dat zijn overeengekomen, kan ook beroep worden ingesteld tegen andere dan de in art. 25 WOR genoemde besluiten. Sinds 1998 biedt art. 32 lid 4 WOR daartoe een grondslag, voordien een arrest van de Hoge Raad uit 1993 (HR 17 maart 1993, NJ 1993, 366 m.nt. Ma., JAR 1993/77 en ROR 1993, nr. 16 (Smit Barracuda)), waarin deze besliste dat indien de ondernemer de ondernemingsraad bovenwettelijke adviesrechten had toegekend, de ondernemingsraad de ondernemer met een beroep op 26 WOR kon aanspreken tot nakoming van die afspraak.
Aan het slot van een artikel waarin hij de geschiedenis van het instituut ondernemingsraad schetst,1 verzucht Van Rhijn2 eind jaren zestig met een blik op de toekomst: ‘Ich glaub’ es wird alles noch gut’. Deze verzuchting moet wellicht geplaatst worden in het licht van de teleurstelling van Van Rhijn over het feit dat de Commissie-Verdam het niet aandurfde voorstellen te doen met betrekking tot medezeggenschap van ondernemingsraden aangaande structurele veranderingen binnen de onderneming. Daaronder begreep van Rhijn onder meer verplaatsing, sluiting en fusie, belangrijke inkrimping van de productie en wijziging van de productiemethoden. Het geduld van Van Rhijn werd niet lang op de proef gesteld. De Wet op de ondernemingsraden werd begin jaren zeventig ingrijpend gewijzigd. Het adviesrecht waaraan Van Rhijn refereerde, werd daarbij een van de kernbevoegdheden van ondernemingsraden. Gegeven de definitie van medezeggenschap als beïnvloeding van de gang van zaken in de onderneming, mogen we art. 25 WOR daarmee rekenen tot de belangrijkste bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden. In 19793 werd het adviesrecht versterkt met toekenning van het recht bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam beroep in te stellen tegen de in art. 25 bedoelde besluiten.4
Art. 25 WOR bevat niet alleen een opsomming van de besluiten die ter advisering aan de ondernemingsraad voorgelegd dienen te worden, maar bevat ook voorschriften met betrekking tot de te volgen procedure. De opsomming van besluiten wordt gecompleteerd in art. 30 WOR. Zowel procedurele bepalingen als een aantal specifieke besluiten komen in dit hoofdstuk aan de orde vanuit het perspectief van een onderneming die in stand wordt gehouden door een naamloze of een besloten vennootschap. In dat kader sta ik allereerst stil bij de vraag of betrokkenheid van derden een rol kan spelen voor de toepassing van het adviesrecht (art. 25 lid 1 aanhef WOR). Vervolgens besteed ik aandacht aan de vraag of en in hoeverre de vennootschappelijke besluitvorming (mede) bepalend is voor het tijdstip waarop de ondernemingsraad om advies gevraagd moet worden (art. 25 lid 2 WOR). Tenslotte ga ik in op vier specifieke voorgenomen besluiten: die tot overdracht van de zeggenschap over de onderneming (art. 25 lid 1 en onder a WOR), die tot het aangaan van een belangrijke financiële deelneming (art. 25 lid 1 en onder b WOR), die tot een belangrijke wijziging van de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming (art. 25 lid 1 en onder e WOR), en die tot benoeming of ontslag van een bestuurder van de onderneming (art. 30 WOR).