Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.6
VII.5.6 De voorziening 'ter ondersteuning' van de aandelenoverdracht
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377347:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Pres. Rb. Haarlem 8 mei 1990, KG 1990, 247 (Keijzer Papier). Het plan was om het voorkeursrecht tot het nemen van nieuwe aandelen slechts ten aanzien van de geïsoleerde minderheidsaandeelhouder uit te sluiten. Een dergelijk besluit tot niet-uitoefening van het voorkeursrecht kan alleen ten aanzien van alle bestaande aandeelhouders worden genomen, stelt de president (terecht) in ro. 3.3.
Pres. Rb. Haarlem 4 september 1990, TVVS 1991, p. 212-213 m.comm. Slagter (Dratex/Kuiper). Slagter vond (sub 3) dat indien in een joint venture met twee 50%-aandeelhouder ruzie ontstaat, dit geschil 'uitstekend' kan worden opgelost met de uitstoting of de uittreding van een van hen. Volgens hem is aan de voorwaarden voor toepassing van de uitstoting of uittreding voldaan. De voorwaarde van de president dat de geschillenregeling moet worden gevolgd, is een eis van exclusiviteit die Slagter te ver gaat. Hij stelde dat de rechtsweg van de geschillenregeling niet bij uitsluiting is voorgeschreven en wees — mijns inziens terecht — op de mogelijkheid een enquête te verzoeken.
Pres. Rb. Dordrecht 20 juli 1999, JOR 1999/200 (Wetsteijn). Ter precisering vermeld ik dat het ging om de indirecte uitstoting van de (natuurlijke persoon-)bestuurder. De uit te stoten aandeelhouder was zijn beheersmaatschappij, waarvan hij alle aandelen hield en enig bestuurder was.
Zie ro. 11 van de in de vorige noot genoemde procedure.
Vrz. Rb. Arnhem 18 juni 2003, JOR 2003/195 (Dodo). Zie verder over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring § VI.3.6.c.
Naast de uitstoting of uittreding kunnen ook andere vorderingen die verband houden met de geschillenregeling in een kort geding aan de orde komen. De gevraagde voorzieningen zijn te beschouwen als 'bewarende maatregelen'. De eisende aandeelhouder wil de situatie niet nog verder laten verslechteren of hij wil voorkomen dat zijn weg naar de geschillenregeling door handelingen van de kwade genius-aandeelhouder wordt afgesneden.
Dat laatste werd geprobeerd in de perikelen rond de vennootschap Keijzer Papier BV.
Een aandeelhouder die een derde van de aandelen hield, was van plan een uitstotingsvordering in te stellen. Hij had zijn aandelen conform de blokkeringsregeling al aangeboden aan de andere twee samenspannende aandeelhouders, maar zij bleken niet geïnteresseerd. Na het ontslag van de (onafhankelijk) bestuurder vond de minderheidsaandeelhouder dat zijn positie volledig was uitgehold. De andere twee (waarvan er één de resterende bestuurder was) trachtten met een emissie van aandelen te voorkomen dat de minderheidsaandeelhouder aan de een derde eis van art. 2:336 lid 1 BW zou blijven voldoen.
In kort geding stelde de president dat een degelijke emissie ongeoorloofd is. Het doel van de emissie was geen andere dan het frustreren van het recht om een uitstotingsvordering in te stellen. De president trof enkele maatregelen om de situatie in Keijzer Papier te bevriezen. Hij bepaalde dat het voorstel tot aandelenemissie niet in de aandeelhoudersvergadering aan de orde mocht komen en verordonneerde dat er ook niet een nieuwe emissie mocht plaatsvinden, totdat de rechtbank op de uitstotingsvordering zou hebben beslist.1
In een zaak die een paar maanden later speelde, was het instellen van een geschillenregelingvordering nog niet aan de orde. De president 'duwde' de eisende aandeelhouder echter wel in die richting.
De casus was inderdaad een 'klassiek geschillenregelinggeval'. Twee joint venturepartners hadden een verschil van inzicht over de vraag of de BV en haar dochtervennootschap nieuw kapitaal behoefden. De tegenstellingen tussen de twee aandeelhouders Kuiper en Dratex liepen vervolgens zo hoog op, dat samenwerking niet meer mogelijk bleek. Kuiper, voorstander van aanvullende investeringen en tevens bestuurder van de joint venture-BV, kondigde aan om de onderneming van de dochtervennootschap te verkopen aan een door hem nieuw opgerichte vennootschap. Hij zou een derde investeerder laten participeren, om zo toch de door hem noodzakelijk geachte kapitaalsuitbreiding te realiseren. Dratex wilde hier niet van weten en vorderde in kort geding een verbod om de aandelen in danwel de activa van de dochtervennootschap te vervreemden.
De president vond dat de wederzijdse belangen en het belang van de vennootschap werden geschaad. Hij wees de voorzieningen toe, maar stelde als aanvullende voorwaarde dat Dratex binnen drie weken de uitstotings- of uittredingsvordering moest hebben ingesteld.2
In een derde uitspraak werd de bestuurder eveneens een verbod opgelegd, om te voorkomen dat een onhoudbare situatie in het bedrijf zou ontstaan. De president van de Rechtbank Dordrecht verbood een bestuurder zijn bevoegdheden uit te oefenen, totdat in de aanhangige 'gewone' geschillenregelingprocedure was beslist over zijn uitstoting als aandeelhouder.3 Tevens vroeg de eiser alvast een deskundige te benoemen (art. 2:339 BW) die een bericht zou moeten opstellen ter vaststelling van de waarde van de over te nemen aandelen. Indien de rechtbank dan de uitstoting beval, was de waardering van de aandelen mogelijk al gereed. De president vond dit echter te kort door de bocht. De overdracht van de aandelen was in het kort geding niet aan de orde, er bestond dan ook geen aanleiding die deskundige te benoemen.4
Ook werd eenmaal getracht met een voorlopige voorziening 'een doorbraak te forceren' omdat de reeds toegewezen uittreding niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en 'de geschillenregeling zo lang duurt'. De aandeelhouders waren reeds in een 'gewone' uittredingsprocedure verwikkeld.
De rechtbank had de prijs van de over te dragen aandelen al vastgesteld, maar er was door de overnemende aandeelhouders (die dit bedrag moesten betalen) hoger beroep ingesteld. Dit had een schorsende werking op de uitvoerbaarheid van het vonnis tot overdracht en betaling in eerste aanleg, omdat uitvoerbaarverklaring bij voorraad volgens het wettelijke systeem van de geschillenregelingprocedure niet is toegestaan. De uittredende aandeelhouder vorderde vervolgens in kort geding de overname van zijn aandelen tegen de door de rechtbank reeds vastgestelde prijs.
De voorzieningenrechter stelde dat feitelijk de uitvoerbaarheid bij voorraad van het `normale' uittredingsvonnis werd gevraagd. Een dergelijke voorziening kon hij niet toewijzen. Het wettelijk systeem van de geschillenregeling verzette zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dus het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening is ook niet mogelijk, aldus de voorzieningenrechter.5
De redenering van de rechter is (helaas) juist. De traagheid van de gewone geschillenregelingprocedure kan niet versneld worden met behulp van een uitvoerbaar bij voorraad verklaring in kort geding. De kort geding-procedure kan ter ondersteuning van de gewone geschillenregeling wel uitkomst bieden bij wijze van bewarende maatregel.