Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.4.2:7.4.2 Feitelijke grondslag
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.4.2
7.4.2 Feitelijke grondslag
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305865:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
259
Voor het slagen van een middel is feitelijke grondslag nodig. De Hoge Raad is geen feitelijke instantie, dus die feitelijke grondslag dient te worden geput uit eerdere processtukken en dient aan een middel ten grondslag te worden gelegd. Het betreft dan de bestreden uitspraak en de stukken van het geding. Een rechtsklacht slaagt bijvoorbeeld als er voldoende feitelijke grondslag voor de toepassing van de rechtsgrond bestaat en, voor zover het een grond betreft die ter vrije dispositie van partijen staat, de toepassing ervan niet door partijen is uitgesloten. Wanneer het middel een verzuim van vormen betreft zal de Hoge Raad casseren als de feitelijke grondslag nu juist niet aansluit op de toegepaste rechtsnorm.
In de Van Schijndel-zaak stond mede de binding van de Hoge Raad aan de feitelijke grondslag centraal. Hoe verdraagt de regel dat de cassatierechter de feitelijke grondslag niet mag aanvullen zich met het EU-recht? Dat principe verdraagt zich met het EU-recht, aldus het HvJ EU:
“Deze beperking vindt haar rechtvaardiging in het beginsel, dat het initiatief voor een procedure bij de partijen ligt en de rechter alleen ambtshalve kan optreden in uitzonderingsgevallen, waarin het openbaar belang zijn ingrijpen vereist. Dit beginsel geeft uitdrukking aan de in de meeste Lid-Staten bestaande opvattingen over de verhouding tussen de staat en de particulier, het beschermt de rechten van de verdediging en verzekert een goed verloop van de procedure, met name doordat de vertraging waartoe de beoordeling van nieuwe rechtsgronden leidt, wordt voorkomen.”1
Deze uitkomst is ook niet vreemd. Hoewel de overweging niet specifiek ziet op de rol van de cassatierechter gaat de overweging voor die rechter wel goed op.2 Immers, als de cassatierechter niet gebonden zou zijn aan de door partijen aangedragen feitelijke grondslag dan zouden partijen niet weten waartegen zij zich precies dienen te verweren. Bovendien zou dat het partijdebat ook frustreren. Als dan pas in cassatie over tot dat moment onderbelichte feitelijke aspecten zou moeten worden gedebatteerd zou dat een volwaardig debat over het tussen partijen bestaande geschil niet ten goede komen. Het ruimhartig toestaan van een debat zou dat probleem enigszins kunnen verhelpen, maar dat zou de procedure weer verlengen. De cassatieprocedure is gewoonweg niet de plek om dat te doen. Het is ook precies om deze reden dat de cassatierechter in Frankrijk alleen ambtshalve mag casseren als een moyen de pur droit daar aanleiding toe geeft. Zelfs dan dienen partijen nog voldoende gelegenheid te krijgen om zich uit te laten over dat rechtspunt.