Rb. Noord-Nederland, 14-04-2026, nr. 18.290290.22 (ontneming)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1188
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
18.290290.22 (ontneming)
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1188, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 14‑04‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2026:1187
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.290290.22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 14 april 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 31 oktober 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 45.000,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.290290.22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 maart 2026, waarbij de veroordeelde is verschenen, bijgestaan door diens raadsman mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Het onderzoek ter terechtzitting is op 14 april 2026 gesloten.
Standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van 45.000,00. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict d.d. 9 december 2022.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen winst heeft gemaakt met het plegen van de ten laste gelegde feiten. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard eenmalig 50.000,00 te hebben ontvangen voor de verkoop van amfetamineolie. Van dit bedrag zijn alle kosten die veroordeelde heeft gemaakt nog afgetrokken, waardoor hij er onder aan de streep niks aan overgehouden heeft. De verklaring van veroordeelde dat hij geen winst heeft gemaakt, wordt ondersteund door het feit dat uit het financieel onderzoek naar veroordeelde en zijn partner niet gebleken is van grote contante stortingen of de aanschaf van luxe goederen. Gelet op het voornoemde kan niet worden vastgesteld dat veroordeelde 45.000,00 aan wedderrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 14 april 2026, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder parketnummer 18.290290.22 tegen veroordeelde gewezen;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel met bijlagen d.d. 9 december 2022, opgenomen op pagina 30 e.v. van deel 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022296945 (onderzoek MAISCH) d.d. 15 mei 2023, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 april 2026 in de zaak met parketnummer 18.290290.22 veroordeeld. Daarmee is vast komen te staan dat veroordeelde zich onder andere schuldig heeft gemaakt aan verkoop van amfetamineolie. Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van dit door hem gepleegde strafbare feit.
Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt. De berekening uit voornoemd rapport is gebaseerd op concrete aanknopingspunten uit de chatgesprekken tussen
veroordeelde en zijn medeveroordeelden over de productie en handel in amfetamineolie. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die berekening te twijfelen.
Het vorenstaande levert de volgende berekening op:
Opbrengst
Uit de chatgesprekken tussen veroordeelde en zijn medeveroordeelden blijkt dat het aandeel van veroordeelde 126 liter amfetamineolie is en dat één liter amfetamineolie werd verkocht voor 750,00.
126. liter x 750,00 = 94.500,00
Kosten
De berekening voor de kosten: 300 kilo Apaan 45.000,-
Grondstoffen 15.000,-
Werkmensen 28.500,-

Totaal 88.500,
Het bedrag 88.500 moet gedeeld moeten worden door de in totaal drie (mede)veroordeelden = 29.500,-
per veroordeelde.
Kosten hok
In een gesprek tussen [code] (veroordeelde) zegt [code] (medeveroordeelde [medeveroordeelde] ) op 19 juni 2020 blijkt dat het 'hok' '60 du' [60.000] heeft gekost aan huur, werkmensen, timmerman en ketels. Uit bovenstaande kan blijken dat er aan kosten 60.000 betaald is. Uit het chatgesprek blijkt dat onder deze kosten de huur, werkmensen, timmermannen en de ketels vallen en dat de kosten van de grondstoffen hier nog overheen komen.
Voor de berekening zou dit bedrag ook gedeeld moeten worden door drie (mede)veroordeelden.
60.000 / 3= 20.000,-
Winst
Opbrengst 94.500.-
Kosten 29.500,-
Kosten hok 20.000,-

Netto winst 45.000.-
De rechtbank acht de verklaring van veroordeelde dat hij geen winst heeft gemaakt met de handel in amfetamineolie onaannemelijk, nu algemeen bekend is dat met de handel in drugs veel geld wordt verdiend. Dat uit het financieel onderzoek naar veroordeelde en zijn partner geen opvallende transacties van veroordeelde blijken, doet daar niet aan af. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij eenmalig 50.000,-- heeft ontvangen maar dat hier nog alle kosten die hij gemaakt heeft vanaf gingen waardoor onder de streep niets overbleef. Verdachte heeft echter op geen enkele wijze concreet en aannemelijk gemaakt welke kosten dit dan zijn geweest. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 45.000,00 aan voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen. De rechtbank ziet geen redenen om de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
45. 000,00 (zegge: vijfenveertig duizend euro);
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
45.000,00 (zegge: vijfenveertig duizend euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 450 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2026.
Mr. H. de Ruijter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.