Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.3.2.1
11.3.2.1 Beperking van de inzage: anonimisering en geheimhouding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940760:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, p. 371, Feteris 2002, p. 234-235. Ook elders in de literatuur bestaat ernstige twijfel aan de toelaatbaarheid van anonimisering in de sfeer van de boete, zie Feteris 2002, p. 232 (noot 156).
Feteris 2002, p. 235. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het kruisverhoor bij getuigen. Zie ook de verwijzingen bij Feteris 2007 op p. 371-372 (noot 312). Overigens speelt dit belang ook reeds in de sfeer van de heffing een rol (fair play, hoor en wederhoor). In dit verband wijs ik op de roemruchte tipgeverszaak (zie onder meer HR 18 december 2015, V-N 2015/66.4, BNB 2016/39), waaromtrent nader in paragraaf 7.3.6.4.3.
EHRM 16 februari 2000 (Rowe en Davis), nr. 28901/95, BNB 2000/259 en EHRM 16 februari 2000 (Fitt), nr. 29777/96, BNB 2000/260. Zie voorts paragraaf 12.3.5.
Andere voorbeelden van dergelijke belangen zijn de bescherming van bedreigde getuigen en de nationale veiligheid, zoals blijkt uit de in de vorige voetnoot genoemde arresten.
Zie paragraaf 7.3.6.4.3.
Zie paragraaf 7.3.6.4.3 inzake de beperkte kennisneming.
Feteris 2007, p. 372, Feteris 2002, p. 241-242. Ook elders in de literatuur is deze bepaling (zeer) kritisch benaderd, ook voor het belastingrecht in bredere zin, zie de verwijzingen bij Feteris 2002, p. 241 (noot 207).
Dat hij zich bij de zogeheten beperkte kennisneming kan verzetten tegen het gebruik door de rechter doet daaraan niet af, eenvoudigweg omdat de boeteling niet kan weten waarover hij in dat verband oordeelt, vgl. HR 25 april 2008, BNB 2008/161, V-N 2008/21.8, NTFR 2008/873, r.o. 3.5.2. Zie ook Feteris 2007, p. 372.
In HR 25 april 2008, BNB 2008/161, V-N 2008/21.8, NTFR 2008/873 (r.o. 3.5.2), een KBLux-zaak waarin het geschil zowel de heffing betrof als de boete, merkte de Hoge Raad in algemene zin op dat de inspecteur zich op art. 8:29 Awb kan beroepen (dat had hij echter niet gedaan, zodat een daadwerkelijk oordeel uitbleef). Zie voorts het in het vervolg van deze paragraaf besproken arrest HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 25 augustus 2022 (geheimhoudingskamer), V-N 2023/7.18, r.o. 2.3.1 (de boeteling moet zich tegen belastende stukken kunnen verdedigen en ontlastende stukken mogen hem niet worden onthouden), Rb Zeeland-West-Brabant 26 maart 2020 (geheimhoudingskamer), V-N 2020/25.15, r.o. 2.7 (omdat het om boetes gaat moet de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht) en Hof Amsterdam 6 mei 2022 (geheimhoudingskamer), V-N 2022/39.25.26, r.o. 3.5 (art. 6 EVRM noopt niet tot een andere uitleg van art. 8:29 Awb, maar dat er sprake is van een sanctie weegt wel mee).
Volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof ’s-Hertogenbosch 20 mei 2016 (geheimhoudingskamer), V-N 2016/47.4, komen deze uitzonderingen echter overeen met de gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb. Zie voorts paragraaf 12.3.5.
Gelet op het Nederlandse stelsel van belastingprocesrecht, is daarvan niet in eerste instantie sprake, maar pas na de bezwaarfase. In beroep krijgt de rechter echter de beschikking over alle op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 lid 1 Awb). Hiermee lijkt (uiteindelijk) aan de gestelde eis te worden voldaan. Vgl. ook Feteris 2002, p. 235.
Aldus ook Feteris 2002, p. 233 en p. 236-237.
In dezelfde zin reeds: Wattel in zijn noot bij EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), nr. 12547/86, BNB 1994/175, punt 12. Gaat het om anonimisering (waarbij de stukken op zichzelf wel zijn ingebracht), dan kan volgens Feteris ook gedacht worden aan bewijsuitsluiting, zie Feteris 2002, p. 237.
Aldus ook Hof ’s-Hertogenbosch 23 november 2018 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/67.18 (zie met name r.o. 3.41). De Redactie van de Vakstudie-Nieuws denkt hier blijkens de Aantekening niet anders over.
Zie EHRM 16 februari 2000 (Rowe en Davis), nr. 28901/95, BNB 2000/259, par. 62-65.
Zie HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205, met name r.o. 3.4.2.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 4 februari 2016, V-N 2016/23.11, r.o. 4.4 (slot) en Hof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016 (geheimhoudingskamer), V-N 2016/26.3, r.o. 3.6. Zie ook Rb Gelderland 3 september 2018, V-N 2018/57.21, r.o. 9 en Hof ’s-Hertogenbosch 23 november 2018 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/67.18, r.o. 3.41.
Rb Zeeland-West-Brabant 19 oktober 2016 (voorzieningenrechter), V-N 2017/4.5, merkte op dat uit art. 6 EVRM ook niet volgt dat het inzagerecht afdwingbaar is (r.o. 3.3.4). Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Gelderland 11 juli 2017, V-N 2017/46.5.
De Hoge Raad verwees hierbij nadrukkelijk naar art. 8:31 Awb en art. 8:29 Awb, HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205, r.o. 3.4.2.
Ook Hof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016 (geheimhoudingskamer), V-N 2016/26.3, oordeelde dat een eerlijke behandeling en berechting door de regeling van artikel 8:29 van de Awb voldoende is gewaarborgd (r.o. 3.9). Wel wees het Hof erop dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor de boeteling geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen door de rechter moeten worden gecompenseerd, hetgeen bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking kan komen in de bewijslastverdeling (r.o. 3.10). Idem: Hof ’s-Hertogenbosch 20 mei 2016 (geheimhoudingskamer), V-N 2016/47.4, r.o. 3.10 en 3.11.
In dit verband noem ik als voorbeeld de (gedeeltelijke) openbaring van de draaiboeken en de interne nieuwsbrieven van de Belastingdienst, die zijn gebruikt bij de aanpak van onder meer het Rekeningenproject (KBLux). Voor zover deze gegevens ter onderbouwing van de boete dienen, moeten de beperkingen langs de lat van art. 6 EVRM te worden gelegd, hetgeen kan leiden tot een andere conclusie dan voor de heffing. Zie omtrent deze vraagstukken nader paragraaf 7.3.6.3 en 7.3.6.4.3.
Feteris 2002, p. 237.
Conclusie A-G Wattel voor HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205 (zie vooral par. 10.10).
Zie paragraaf 7.3.6.2.4.
Deze beperking is in de tekst van de bepaling zelf opgenomen (lid 1). Aldus ook: Feteris 2002, p. 235. Zie hieromtrent nader paragraaf 7.3.6.3 en paragraaf 7.3.6.4.3.
Zie bijvoorbeeld HR 25 april 2008, BNB 2008/162 (r.o. 3.2.4) voor de vraag wanneer van een dergelijk misbruik (geen) sprake is. Blijkens de noot van Albert bij HR 25 april 2008, BNB 2008/161 (punt 1.3) is ook deze weigeringsgrond in de literatuur niet onomstreden.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van de geheimhoudingskamer in Hof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, V-N 2016/26.3. Op zichzelf haalde het Hof terecht art. 6 EVRM aan, nu er ook een boete in het geding was (r.o. 3.6). De daarbij gehanteerde formulering leek echter te suggereren dat het Hof de uit die bepaling voortvloeiende (extra) terughoudendheid (bij de geheimhouding van stukken) ook van toepassing acht op de heffing. Dat is naar mijn mening niet juist: de eventuele aanvullende waarborgen gelden immers alleen voor de boete. Volgens het Hof maakte art. 6 EVRM echter geen verschil voor wat betreft de belangenafweging (zie r.o. 3.8-3.10).
Is eenmaal de reikwijdte van het inzagerecht vastgesteld, dan kan de vraag rijzen of de inspecteur de gegevens wellicht in geanonimiseerde vorm ter beschikking mag stellen. Het BBBB schrijft in dit kader voor, dat gegevens over derden ‘zoveel mogelijk’ onherleidbaar worden verstrekt.1 Feteris wijst er terecht op, dat het anonimiseren van gegevens van of over derden strijd met art. 6 EVRM kan opleveren.2 Het vertrouwelijke karakter is op zichzelf onvoldoende grond om dergelijke gegevens achter te houden voor de boeteling: hij kan daar immers wel degelijk belang bij hebben in het kader van zijn verdediging. Het kennen van de identiteit van een betrokken derde kan bijvoorbeeld een gerechtvaardigd verdedigingsbelang vormen, omdat de geloofwaardigheid van die persoon en zijn verklaringen moet kunnen worden beoordeeld en getoetst.3
Het EHRM is in dit verband, hoewel het inzagerecht ook onder art. 6 EVRM niet absoluut is, streng. Een beperking van het inzagerecht is alleen bij zeer zwaarwegende belangen toegestaan, en dan nog alleen voor zover dat strikt noodzakelijk is. Bovendien moet de verdediging worden gecompenseerd voor de achterstand die door de geheimhouding of anonimisering vanuit verdedigingsperspectief wordt opgelopen.4 De geheimhouding van onderzoeksmethoden van de overheid (bijvoorbeeld de Belastingdienst) kan volgens het EHRM overigens een dergelijk zwaarwegend belang vormen.5
Het Nederlandse bestuursprocesrecht kent in art. 8:29 Awb een regeling op grond waarvan partijen een beroep kunnen doen op geheimhouding of beperkte kennisneming van stukken of inlichtingen.6 Bij een geslaagd beroep op geheimhouding hoeft de betreffende partij bepaalde stukken of inlichtingen in het geheel niet als processtuk in te brengen. De regeling van de beperkte kennisneming houdt in dat alleen de rechter – en niet de wederpartij – de stukken of inlichtingen krijgt. De bepaling van art. 8:29 Awb kan dus tot gevolg hebben dat de rechter uitspraak doet op grond van stukken of inlichtingen waarvan de wederpartij geen kennis heeft kunnen nemen.7 Feteris concludeert dat deze bepaling in strijd is met art. 6 EVRM en in boetezaken dus niet kan worden toegepast.8 Ik ben iets minder stellig, maar het spreekt voor zich dat de regeling zich slecht verhoudt met de norm van de fair hearing. De geheimhoudingsregeling van artikel 8:29 Awb maakt het immers mogelijk dat de inspecteur belastende informatie achterhoudt (of slechts met de rechter deelt). Een adequate verdediging is dan op voorhand onmogelijk, eenvoudigweg omdat het de boeteling niet volledig duidelijk is waartegen hij verweer voert of zou kunnen voeren.9 De Hoge Raad lijkt de deur voor de inspecteur echter nog op een kier te houden.10 Ook in de lagere rechtspraak wordt een beroep op geheimhouding in boetezaken niet categorisch afgewezen. Wel wordt de lat vanwege de waarborgen van art. 6 EVRM soms (nog) hoger gelegd voor de inspecteur.11
Naar mijn mening kan de regeling van art. 8:29 Awb in fiscale bestuurlijke boetezaken alleen worden toegepast in de door het EHRM erkende uitzonderingsgevallen (vitale staatsbelangen of fundamentele rechten van andere mensen), onder de door het EHRM gestelde voorwaarden en onder compensatie van de opgelopen verdedigingsachterstand.12 De afweging van de betrokken belangen dient in dit kader plaats te vinden door een onafhankelijke rechter.13 Mocht die afweging ertoe leiden dat geheimhouding niet is toegestaan, dan zal de inspecteur hetzij de gegevens moeten openbaren, hetzij de boete moeten laten vervallen.14 In ieder geval zal hij er rekening mee moeten houden dat, als hij vasthoudt aan de geheimhouding, de rechter de boete met toepassing van art. 8:31 Awb zal vernietigen.15 Als de inspecteur echter ook de onafhankelijke rechter niet in staat stelt om de benodigde belangenafweging te maken (door bijvoorbeeld de gegevens zelfs niet met de geheimhoudingskamer te delen), is het einde zoek16 en zal er naar mijn mening per definitie strijd met art. 6 EVRM bestaan.17
Ik breng in dit verband in herinnering dat de Hoge Raad in een arrest uit 2013 heeft benadrukt dat er geen absoluut, rechtens afdwingbaar recht bestaat op volledige inzage van het dossier.18 Dat betekent dat een boeteling niet via de civiele rechter inzage kan afdwingen in de ongeschoonde versie van geanonimiseerde stukken of de identiteit van een tipgever. De (belasting)rechter kan immers compensatie bieden voor het geval de inspecteur ten onrechte stukken of gegevens achter houdt. In het betreffende arrest noemde de Hoge Raad de opgelegde aanslagen steeds in één adem met de opgelegde boetes. Wel haalde de Hoge Raad bij de boetes aanvullend art. 6 EVRM aan als rechtsnorm, hetgeen bij de feitenrechter navolging heeft gevonden.19 Ook voor het vanuit die norm te beschermen verdedigingsbelang is een absoluut recht op inzage echter niet noodzakelijk.20 In de fiscale procedure is dat belang volgens de Hoge Raad voldoende gewaarborgd doordat de fiscale rechter de boete kan vernietigen wanneer de inspecteur ten onrechte de inzage weigert,21 of anderszins compensatie kan bieden voor de opgelopen bewijsrechtelijke achterstand als die weigering gelet op de gewichtige redenen (wel) gerechtvaardigd wordt geacht.22 Bij dat laatste kan naar mijn smaak worden gedacht aan een verlaagde (tegen)bewijsdrempel of een meer gunstige verdeling van de (tegen)bewijslast.
De vraag of, en zo ja, welke gevolgen aan het ten onrechte achterhouden van stukken of gegevens moeten worden verbonden, staat op grond van art. 8:31 Awb overigens volledig ter discretie van de rechter. Naar mijn mening moet de rechter ook bij die beoordeling onderscheid maken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete, omdat het strengere verdedigingsbelang van art. 6 EVRM gemakkelijk tot een andere uitkomst zou kunnen leiden.23 Feteris heeft met betrekking tot de vraag wat die uitkomst dan zou moeten zijn, gesuggereerd om aan te sluiten bij de mogelijke gevolgen van (strafrechtelijk) onrechtmatig verkregen bewijs.24 Ook Wattel heeft – onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM – gepleit voor een fijnafstemming.25 Vertaald naar de fiscale rechtssfeer komt dat neer op hetzij vermindering van de boete, hetzij bewijsuitsluiting dan wel algehele vernietiging van de boete (of zelfs van de daarmee samenhangende aanslagen).26
Een beroep op de algemene fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR kan de inspecteur in dit verband overigens niet baten, reeds omdat openbaring – uit de aard der zaak – noodzakelijk is ter uitvoering van de belastingwet.27
Naast de weigeringsgrond van art. 8:29 Awb onderkent de Hoge Raad nog een andere categorie uitzonderingsgevallen op het inzagerecht, waartoe onder meer misbruik van procesrecht behoort.28 Naar mijn mening zou de rechter ook bij deze categorie in ieder geval een duidelijk onderscheid moeten maken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete, en zijn beslissing ten minste afzonderlijk moeten motiveren.29