De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.4:21.3.4 Het aanvangsmoment van de absolute termijn
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.4
21.3.4 Het aanvangsmoment van de absolute termijn
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367800:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Of als gevolg van beweging van de bodem als gevolg van aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk.
NJ 2000, 16, nt. ARB.
R.o. 5.2.
Holthuijsen, NTBR 2001, p. 5-6.
Uiteraard is het technisch gesproken niet zo dat een gebeurtenis verjaart, maar de rechtsvordering tot vergoeding van de uit de gebeurtenis voortvloeiende schade. Kortheidshalve spreek ik toch maar even van `verjaarde gebeurtenissen', zoals bijvoorbeeld Bloembergen ook spreekt over `verjaarde mishandelingen'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de tekst van art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Zolang de schadeveroorzakende gebeurtenis een kortdurend, eenmalig feit is, geeft het begrip geen interpretatieproblemen. Maar als het een voortdurend of wederkerend evenement betreft, rijst wel de vraag hoe het moet worden opgevat. Ten aanzien van schade ten gevolge van verontreiniging van lucht, water of bodem, of als gevolg van gevaarlijke stoffen1 in de zin van art. 3:310 lid 2 BW is er een bijzondere bepaling over dit probleem: art. 3:310 lid 3 BW bepaalt expliciet dat als de gebeurtenis uit een voortdurend feit bestaat, de termijn pas begint te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan (en bestaat "de gebeurtenis" uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint de termijn te lopen na dit laatste feit). De Hoge Raad heeft analogische toepassing van deze bepaling afgewezen voor het begrip gebeurtenis van lid 1; daar geldt dus niet dat de verjaring pas aanvangt bij het einde van het voortdurende evenement. Dat betekent dat de verjaringsbijl midden in dat voortdurende evenement kan vallen. Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de juistheid van die beslissing.
Voorbeelden van toepasselijkheid van lid 3 vormen de twee eerdergenoemde asbest-arresten. De Hoge Raad overweegt in Van Hese/De Schelde: "In het onderhavige geval moet dus als gebeurtenis worden aangemerkt de blootstelling aan asbest, dat wil in verband met het derde lid van art. 3:310 BW zeggen het einde van de blootstelling." R.o. 3.3 van Rouwhof/ Eternit is inhoudelijk gelijkluidend.
Uit HR 25 juni 19992 volgt dat de Hoge Raad de regel van lid 3 over het begrip gebeurtenis in lid 2 niet analoog wil toepassen op het begrip gebeurtenis in lid 1. Op 20 mei 1994 spreekt een zoon zijn vader aan op grond van de stelling dat zijn vader hem in de periode van 1960 tot 1976 (toen hij het ouderlijk huis verliet) stelselmatig geestelijk en lichamelijk heeft mishandeld. De vader stelt dat de feiten van voor 20 mei 1974 (dat is twintig jaar voor de dagvaarding) krachtens de absolute termijn zijn verjaard. De zoon meent, naar analogie van art. 3:310 lid 3 BW, dat het geweld van zijn vader niet is onder te verdelen in afzonderlijke gebeurtenissen van vóór en na 20 mei 1974, doch geheel is aan te merken als één onrechtmatige daad, zodat de absolute termijn voor de gehele mishandeling pas in 1976 is gaan lopen.
De Hoge Raad wil van die analogische wetstoepassing niet weten:3 "Voor zover het onderdeel met een beroep op artikel 3:310 lid 3 BW strekt ten betoge dat het door B. junior gestelde geweld van zijn vader niet is onder te verdelen in afzonderlijke gebeurtenissen van vóór en na 20 mei 1974, doch geheel is aan te merken als één onrechtmatige daad, ziet het onderdeel eraan voorbij dat artikel 3:310 lid 3 alleen van toepassing is op de in artikel 3:310 lid 2 met zoveel woorden genoemde bedoelde rechtsvorderingen. Zoals mede blijkt uit de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 8 vermelde wetsgeschiedenis, biedt de wet geen ruimte om ook in andere gevallen dan in genoemde bepaling omschreven, aan te nemen dat een opeenvolging van overeenkomstige onrechtmatige handelingen voor de aanvang van de verjaring als één gebeurtenis moet worden aangemerkt."
Deze uitspraak verdient geen instemming. In de eerste plaats is bepaald twijfelachtig of de wetsgeschiedenis noopt tot de door de Hoge Raad gekozen oplossing. Holthuijsen bepleit met kracht van argumenten dat het tegendeel het geval is.4
Bovendien leidt het resultaat van deze interpretatie tot grote praktische complicaties. Want welk deel van de schade is specifiek het gevolg van de nog niet verjaarde gebeurtenis? De discussie ontspint zich direct; de A-G schrijft: "Overigens merk ik op dat pas in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen welk deel van de schade moet worden toegerekend aan de gebeurtenissen die plaatsvonden na 20 mei 1974; mogelijk is immers dat deze gebeurtenissen op zichzelf voldoende waren om de gestelde schade geheel te veroorzaken; in ieder geval is bepaald niet uitgesloten dat de gestelde mishandelingen die in die periode plaatsvonden een onevenredig groot deel van die schade hebben veroorzaakt, gegeven de aan de vader toe te rekenen omstandigheid dat de zoon reeds daarvoor aan mishandelingen was blootgesteld."
Hiertegenover schrijft Bloembergen in zijn noot: "In de Com (nr 8 slotalinea) wordt opgemerkt dat het alsnog mogelijk zou zijn het slachtoffer in dit geval te hulp te komen: de vordering ter zake van de mishandelingen van het in 1958 geboren slachtoffer die na 20 mei 1974 (tussen 1974 en 1976, toen het slachtoffer als achttienjarige het huis verliet) plaats vonden, zijn niet verjaard en het zou niet uitgesloten zijn dat de gehele schade of een flink deel daarvan aan deze laatste mishandelingen wordt toegerekend. Mij komt het voor dat een pro rata toerekening aan de verjaarde en de niet verjaarde mishandelingen meer voor de hand zou liggen; verg. HR 23 september 1988, NJ 1989, 743 m.nt. JHN (Kalimijnen) en voorts Schadevergoeding (Boonekamp) aant. 6.2 op artikel 102 met verdere gegevens. Dat zou tot een voor het slachtoffer veel ongunstiger resultaat leiden."
De benadering van Bloembergen is in twee opzichten problematisch. Ten eerste. De pro rata-benadering vergt dat men in de beoordeling ook betrekt de gebeurtenissen die al verjaard zijn;5 men moet immers eerst het geheel van de opeenvolgende reeks van gebeurtenissen bepalen om vervolgens te kunnen uitmaken welk percentage de nog niet verjaarde gebeurtenissen van dat geheel uitmaken. Maar het betrekken van de verjaarde gebeurtenissen in het oordeel is niet zuiver, omdat een van de dragende gedachten van de verjaring, zeker van verjaring krachtens de lange termijn, nu juist is dat niet meer valt vast te stellen wat zo lang geleden heeft plaatsgevonden. Ten tweede. In de pro rata-benadering krijgt de debiteur belang bij een zo lang mogelijke duur van de voor het aanvangsmoment van de absolute termijn gelegen gebeurtenissen; hoe langer die termijn immers, hoe kleiner in verhouding het aandeel van de gebeurtenissen na het aanvangsmoment. De implicatie daarvan is, bijvoorbeeld in de casus van het arrest, dat de vader die met succes bepleit dat hij zijn zoon ook in 1959 als baby al mishandelde, aanzienlijk voordeliger af is dan de vader die niet anders kan aantonen dan dat hij zijn zoon uitsluitend na 20 mei 1974 mishandelde. Die consequentie is kennelijk onaanvaardbaar.
Een bezwaar, vergelijkbaar met het eerstgenoemde tegen de pro rata-benadering, is aan te voeren tegen het oordeel van de A-G, die, denkend over het mogelijke verloop van een schadestaatprocedure, opmerkt dat bepaald niet is uitgesloten "dat de gestelde mishandelingen die in die periode [de "niet verjaarde periode" — JLS] plaatsvonden een onevenredig groot deel van die schade hebben veroorzaakt, gegeven de aan de vader toe te rekenen omstandigheid dat de zoon reeds daarvoor aan mishandelingen was blootgesteld." Als men die laatstgenoemde omstandigheid in de oordeelsvorming wil betrekken, kent men, net als in de pro rata-benadering, betekenis toe aan een evenement waarvan men nu juist net heeft gezegd dat het verjaard is.
Onduidelijk is vooralsnog hoe deze kwestie dan wel moet worden opgelost. Want hoe men het ook wendt of keert, om te bepalen welk deel van de schade moet worden "toegerekend" aan de nog niet verjaarde gebeurtenissen, moet men tevens in ogenschouw nemen de rol van de al wel verjaarde gebeurtenissen. Die terugblik verdraagt zich als gezegd niet met de ratio van de verjaring. Wellicht had het toch de voorkeur verdiend te beslissen naar analogie van lid 3: de rechter zou dan rechtstreeks de feiten kunnen beoordelen die hij nu via een liever gesloten gebleven achterdeur moet binnenlaten.