Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.3.1
14.4.3.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940469:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat is ook verreweg de belangrijkste functie van het BBBB. Afgezien daarvan bevat hoofdstuk 1 van het BBBB een handvol bepalingen over enkele perifere stellingen (zoals over AVAS, het pleitbaar standpunt en de vrijwillige verbetering) en over bepaalde formaliteiten bij het opleggen van de boete (zoals het recht op inzage). Deze bepalingen geven de opvatting van de Staatssecretaris van Financiën over die onderwerpen weer en bevatten over het algemeen geen belangwekkende gezichtspunten.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2013, V-N 2013/22.6, r.o. 4.17.
Zie paragraaf 6 tot en met 8 BBBB, waarover nader hierna in paragraaf 14.4.3.2.
Zie daaromtrent uitgebreid: Krukkert 2018. Krukkert heeft in zijn dissertatie een rechtsvergelijking gemaakt tussen het proces van individuele straftoemeting door enerzijds de inspecteur en anderzijds de strafrechter.
Feteris 2007, p. 356, Krukkert 2018, p. 245 en p. 288. Ook De Kleer is een dergelijk opvatting toegedaan, welke hij afleidt uit HR 13 augustus 2004, BNB 2005/42 (zie De Kleer 2005). Zie voor de vraag wat een dergelijk oordeel inhoudt paragraaf 14.4.4 hierna.
In paragraaf 63b.1 worden de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 van het BBBB van overeenkomstige toepassing verklaard. In het navolgende ga ik daarom niet specifiek in op dit boetebeleid voor de ontvanger.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 140-142 en vgl. Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, p. 37.
Zie voor enkele voorbeelden HR 29 maart 2019, V-N 2019/18.19.4 (vergrijpboete van in beginsel 100 % wegens listigheid (gebruik afroommodule in Ytong-kassasysteem), art. 81 Wet RO) en Hof Amsterdam 17 juli 2018, V-N 2018/66.24.9 (maximale verzuimboete van art. 67a AWR in de sfeer van de inkomstenbelasting). Vgl. – a contrario – Hof Den Haag 20 januari 2021, V-N 2021/17.24.9, r.o. 5.16, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/39.23, Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, V-N 2014/53.26.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2014, V-N 2015/12.16. Krukkert lijkt hier anders over te denken, aangezien hij de mogelijkheid open houdt dat ook een boete wegens grove schuld met strafverzwarende omstandigheden op 100 % uit kan komen, zie Krukkert 2018, p. 268. Daar staat tegenover dat hij in een ander verband (valsheid, listigheid en samenspanning) onderscheid maakt tussen verschillende vormen van opzet, waarvan alleen de ernstigste een 100 %-boete rechtvaardigt, zie Krukkert 2018, p. 296.
Dat is anders bij vergrijpboetes, zie paragraaf 14.4.1.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.8 e.v. (matiging tot € 200). Krukkert 2018, p. 259, lijkt hier anders over te denken. In de feitenrechtspraak wordt dit onderscheid ook niet altijd consequent gemaakt (mijns inziens dus ten onrechte), zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 1 oktober 2021, V-N 2022/2.22.29, r.o. 4.4. Overigens sluit de afstemming op de mate van verwijtbaarheid niet uit dat een boete naar het wettelijk maximum wordt opgelegd (en passend en geboden is), zie Hof Den Haag 22 oktober 2020, V-N 2021/20.25.28. Vgl. voorts CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 7.7. In deze rechtsoverweging introduceerde de CRvB een staffel om een wettelijk maximum van 100 % te verbijzonderen naar schuldgradatie (100 % bij opzet, 75 % bij grove schuld, 50 % als uitgangspunt bij afwezigheid van opzet of grove schuld, 25 % bij verminderde verwijtbaarheid).
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 142. Vgl. ook de jurisprudentie van het EHRM in dit verband (zie paragraaf 14.4.2).
Dat geldt niet alleen voor de boetes waarbij een grondslagkoppeling is opgenomen, maar ook voor alle andere fiscale (verzuim)boetes. Vgl. ook Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, p. 37.
Vgl. CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 6.7. Vgl. ook de jurisprudentie van het EHRM in dit verband (zie paragraaf 14.4.2).
Aldus ook: Krukkert 2018, p. 234.
In het Nederlandse systeem bepaalt de inspecteur in eerste instantie de hoogte van de boete, aangezien hij degene is die de boete oplegt. Het BBBB bevat een reeks voorschriften die de inspecteur bij het bepalen van de strafmaat in acht moet nemen.1 Deze voorschriften zijn in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van het BBBB tamelijk gedetailleerd uitgewerkt. Het komt erop neer dat de inspecteur in die hoofdstukken de paragraaf opzoekt die van toepassing is op de verzuim- of vergrijpboete die hij wil gaan opleggen. De betreffende paragraaf geeft dan een bepaald standaardpercentage of standaardbedrag aan, waarop de boete bij wijze van uitgangspunt moet worden vastgesteld. Bij het opleggen van de boete kan de inspecteur zich echter niet verschuilen achter de door het BBBB voorgeschreven standaardpercentages en standaardbedragen: dat zijn slechts richtpunten.2 De inspecteur moet – ook volgens het BBBB zelf – rekening houden met individuele (strafverminderende of strafverzwarende) omstandigheden door het standaardbedrag of standaardpercentage zo nodig naar beneden of naar boven bij te stellen.3 De inspecteur moet in dat kader een totaalafweging maken van alle relevante feiten en omstandigheden, uitmondend in wat volgens hem in het concrete geval een passende boete is.4 Het ligt voor de hand dat hij in dat kader anticipeert op het mogelijke oordeel van de vol toetsende rechter.5 Het voorgaande geldt ook voor wat betreft het boetebeleid uit de Leidraad Invordering 2008: par. 63b bevat de uitgangspunten (standaardpercentages) waar de ontvanger zich bij het opleggen van de verzuimboetes van art. 63b Inv. aan moet houden.6
Volgens art. 5:46 lid 2 Awb stemt het bestuursorgaan de hoogte van de boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.7 Dat betekent dat ten aanzien van alle boetes waarvoor in de wet een strafmaximum is opgenomen, steeds een fijnafstemming moet plaatsvinden die leidt tot individuele straftoemeting. Uit dit evenredigheidsvereiste volgt dat het opleggen van de maximale boete is voorbehouden aan de meest ernstige, meest verwijtbare gevallen, waarbij bovendien nog strafverzwarende omstandigheden aanwezig waren.8 Verder maakt het evenredigheidsvereiste duidelijk dat de mate van verwijtbaarheid ook bij schuldneutrale delicten, zoals verzuimboetes, van belang is. De precieze mate van verwijtbaarheid speelt bij dergelijke boetes weliswaar geen rol bij de beantwoording van de vraag óf het beboetbare feit is begaan,9 maar wanneer het gaat om de strafmaat moet de verwijtbaarheid wel degelijk in kaart worden gebracht.10
Bij wettelijk gefixeerde boetes gaat de wetgever er blijkens art. 5:46 lid 3 Awb van uit dat er voor een eigen afweging door het bestuursorgaan (en de rechter) in beginsel geen plaats meer is, omdat de wetgever geacht wordt die afweging al te hebben gemaakt.11 Naar mijn mening vallen fiscale bestuurlijke boetes echter niet onder art. 5:46 lid 3 Awb.12 Er bestaan namelijk geen fiscale bestuurlijke boetes ten aanzien waarvan de omvang wettelijk is bepaald op een vast bedrag. Fiscale bestuurlijke boetes kennen alleen een wettelijk maximum,13 zodat daarop steeds art. 5:46 lid 2 Awb van toepassing is.14