Rb. Den Haag, 22-05-2026, nr. NL26.25590
ECLI:NL:RBDHA:2026:13151
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
22-05-2026
- Zaaknummer
NL26.25590
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:13151, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 22‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewaring – beroep tegen verlengingsbesluit – arrest Aroja – beroep ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25590
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft op 8 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven en bij besluit van 8 november 2025 aan eiser een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat, kort gezegd, de maximale termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 59, vijfde lid, van de Vw is overgeschreden omdat geen sprake is van een tijdig verlengingsbesluit. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (Aroja1.). Volgens eiser volgt hieruit dat de periode van zes maanden aanvangt bij oplegging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw op 5 november 2025, omdat op dat moment al een terugkeerbesluit aan eiser was opgelegd. Hierdoor had de minister volgens eiser uiterlijk op 4 mei 2026 een verlengingsbesluit moeten nemen, hetgeen pas op 6 mei 2026 is gebeurd. Tijdens de inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw is sprake van schorsing van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit, maar uit punt 59 het arrest Aroja blijkt dat deze periode wel meetelt bij de berekening van de zesmaandentermijn omdat deze maatregel is opgelegd ná het terugkeerbesluit van 6 februari 2025.
2. Verder wijst eiser nog op punten 63, 67 en 69 uit het arrest Aroja waarin is overwogen dat het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur dienen te worden geëerbiedigd. Tot slot verwijst eiser nog naar het in het arrest Aroja aangehaalde arrest Kadzoev2., overwegingen 30 en 45.
3. Ter zitting is geconstateerd dat – uitgaande van de door eiser genoemde datum van 5 november 2025 - dit standpunt van eiser tot gevolg zou moeten hebben dat de bewaring van eiser niet op 4 mei 2026, maar uiterlijk op 3 mei 2026 had moeten worden verlengd en daarom per 4 mei 2026 onrechtmatig is geworden. Eiser heeft zijn standpunt in die zin ter zitting gewijzigd.
4. De minister stelt zich samengevat op het standpunt dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw meetelt bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Volgens verweerder betekent dit dat de maatregel uiterlijk op 6 mei had moeten worden verlengd. Nu dit is gebeurd, is geen sprake van het onrechtmatig voortduren van de maatregel.
5. De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw, en daarmee de periode tussen 5 november 2025 en 8 november 2025, meetelt voor de berekening van de zes maandentermijn als hierbedoeld, waarna sprake moet zijn van een rechtsgeldige en tijdige verlenging van de maatregel indien deze voortduurt.
6. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten. Aan eiser is op 6 februari 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Op 5 november 2025 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw opgelegd. Op 8 november 2025 is deze maatregel opgeheven en is eiser aansluitend in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Bij besluit van 6 mei 2026 is de maatregel met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Dit alles is tussen partijen niet in geschil. Voorts is niet in geschil dat aan de materiële voorwaarden voor verlenging van de maatregel is voldaan.
Het arrest Aroja
7. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn3.. In punten 57 en 58 van het arrest is het volgende overwogen:
57. In de tweede plaats moet in herinnering worden gebracht dat artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115 tot doel heeft te waarborgen dat de bewaring met het oog op verwijdering hoe dan ook niet langer duurt dan achttien maanden of, in voorkomend geval, dan de kortere maximale termijn die de betrokken lidstaat krachtens deze bepalingen heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punt 37).
58. In dit verband heeft het Hof onder meer geoordeeld dat bij de berekening van de krachtens artikel 15, leden 5 en 6, van deze richtlijn vastgestelde duur van de bewaring met het oog op verwijdering de periode moet worden meegeteld waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land, wanneer de betrokkene gedurende de procedure waarin dat verzoek werd behandeld, krachtens die bepalingen in bewaring werd gehouden, zelfs indien dat ten onrechte gebeurde (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 40, 47 en 48).
8. Uit deze bewoordingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat voor de berekening van de periode van zes maanden in de hierbedoelde zin, alleen de periode waarin een vreemdeling in bewaring heeft gezeten ter uitvoering van een terugkeerbesluit, en dus in het kader van een terugkeerprocedure op basis van de Terugkeerrichtlijn, relevant is. Nu een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw niet is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn, maar op de Opvangrichtlijn4., betekent dit dat de periode waarin eiser op deze grondslag in bewaring is gesteld, niet meetelt voor de berekening van de maximale periode van zes maanden. De rechtbank verwijst hierbij naar punten 61, 63 en 67 van het arrest Aroja, waaruit naar haar oordeel ook blijkt dat het moet gaan om perioden waarin sprake is van een maatregel met het oog op verwijdering en ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit. Ook uit het arrest Kadzoev blijkt dat wat in punt 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen daarom niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden.
9. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw niet meetelt bij de berekening van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Aan eiser is op 8 november 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd waardoor de hier bedoelde zesmaandentermijn op die datum begon te lopen en verstreek op 6 mei 2026. Gelet op het verlengingsbesluit van 6 mei 2026 is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een tijdig en rechtsgeldig genomen verlengingsbesluit. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑05‑2026
ECLI:EU:C:2009:74.
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.