Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.1:7.1 Inleiding
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232845:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk bijvoorbeeld HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3803, BNB 2010/266.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderdeel wordt ingegaan op certificering, beginnend met een historische schets van de ontwikkeling van certificering. Voor de certificering van vermogen kunnen uiteenlopende redenen zijn, zoals vermogensbescherming of de wens om het gecertificeerde vermogen bijeen te houden, maar ook motieven buiten de persoonlijke sfeer, zoals het verstrekken van zekerheid1. Gezien het onderwerp van dit onderzoek zal ik echter in beginsel slechts kijken naar certificering in het kader van vermogensbescherming. Aangezien certificering geen in de wet geregelde figuur is, ga ik daarbij allereerst in op het rechtskarakter van certificering, waarbij ook gekeken wordt naar wel in de wet geregelde figuren, zoals de overeenkomst van opdracht of de maatschap, en de vraag of bij certificering een dergelijke figuur aan de orde kan zijn. In dat geval zijn immers ook de dwingendrechtelijke bepalingen die de desbetreffende figuur beheersen van toepassing, hetgeen met zich kan brengen dat er meer wijzen zijn waarop de certificering beëindigd kan worden, dan opgenomen in de administratievoorwaarden. Ook wordt gekeken naar de juridische toelaatbaarheid van certificering, in het kader van het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW.
Vervolgens ga ik in op de aard van het certificaat, alsmede op het administratiekantoor, de relatie tussen administratiekantoor en certificaathouder en de administratievoorwaarden, waarna de mogelijkheden voor beëindiging van de certificering worden besproken. In de context van het laatste onderwerp komt tevens de geschiktheid van certificering als beschermingsfiguur aan bod, alsmede de wijze waarop bij certificering de zeggenschap van de rechthebbende aan banden wordt gelegd en het bereiken van een evenwicht tussen de verschillende bij de certificering betrokken belangen. Ten slotte wordt de verhouding tussen certificering en de legitieme portie besproken. In het algemeen ga ik slechts in op certificering ongeacht de aard van het goed dat gecertificeerd wordt, zodat specifieke aspecten van bijvoorbeeld de certificering van aandelen niet besproken worden.